Antwoord.
GEen hertstoght, die, op waan gegrontvest, onse zinnen, Gebuygsaam door 't verstant, doet haaten of beminnen, Is onversettelik. De weerelt keert, en wendt, En niets staat hier soo vast, of 't wisselt door sijn endt. Indien de liefd' in 't hart des Ouders tot haer Kind'ren, Die onversett'lik schijnt, door tranen kan vermind'ren, Of, tegens de Natuer, verwisselen in haat, Soo volght, dat ook haar haat, niet onversett'lik staat, De reden kan de waan ontdekken, aen onz' oogen. Wil dan een Jongeling, sijn Ouders liefd' ontoogen, Sich vindende in haat vervallen, door de waen, De welstant van sijn ziel en lichaam gade slaen, Hy lette uyt welk een bron, haar haat is voortgekomen. Soo 't vaderlijke hert, door driften ingenomen, Den Soon verwerpt, en waant verongelijkt te zijn; Hy toon dan sijn bedrijf, heel anders als de schijn, Tot liefde en vrientschap strekt, dat door het eyndt sal blijken. Dus sal de waarheyt schijn, en haet, en waen, doen wijken: Verdovende al de brant, en gramschap, die 't gemoed Des Ouders had vervoert, tot haten van 'er bloet. Indien hem kracht ontbreekt, om hun haar waan t'ontdekken, Soo dat hoe hy meer traght haar vrientschap te verwekken, Hoe hy haer haet meer terght, naer dien al wat hy seyt, Van haer wert opgevat, voor dubbelhartigheyt; Soo bid hy om Gods liefd', en bystant in sijn traghten, Van Godt, die d'afgonst haet, magh hy sijn heyl verwaghten: Dees, die de harten proeft, en als de beecken leyt, Herschept haar twist in vreê, 't voor-oordeel in bescheyt. En of Godt, die 't geloof der vroomen vaeck wil proeven, (Soo 't spreekwoord seyd; als of hy oogh-blik sou behoeven, Daar zijn alweetentheyt, voor 't toetsen van 't gemoed, Elks vastigheyd wel weet) haar haat, nogh blust, noch voed; Hy denke dat hem God, niet om sijn ziel te quellen, Maar om hem ons ten baak van lijdsaamheyt te stellen, In d'Ouders haat laat zijn, en eynd'lik door 't geduld, Behaaght hy God, wiens reght, hem oordeelt sonder schuld.
Laat hy de haat, maar niet sijn Ouders die hem haten, Verachten, waar door 't hart, all' ergwaan sal verlaten. Hy vlie sijn eygen toorn, voor-oordeel, wraak, en nijt, En, hout haar haat nogh stant; hy bid, hy lijd, en mijd.
Die raat voor haat, aan my gelieft te vragen, Sie hier mijn stant, en hoe ick my sal dragen.
Cookies on Poetry Cove