Antwoord.
WAnneer een deftig Rijk is heerlik opgebout, Soo wort de nieuwe glans daar van door tijd verlooren. Maar dit verslinb're beest, word nimmermeer verout, Soo ras het maar in 't hart der schepsels is gebooren. Het is gestadiglik een vyand van de deugd, VVant, waar dit Monster heerst, daar word de deugd verbannen. Het steelt en rooft den mensch sijn alderbeste vreugd, En breekt de snaar des heyls, ter saligheyt gespannen. Het is een vaste kust, daar meenig mensch na zeylt, Door 's weerelts vals compas, en goddeloose treeken. Een zee die grond'loos is, schoon datmen dikwils peylt. Geen rijkdom kan de lust der Gierigaart verbreeken. Een wortel in sich self van alderhande quaad,1. Tim. 6.10. En een vergulde bron, die nimmer nat wil geeven, Maar Golven in sich trekt; een diep geworteld zaad, Waar door den Gierigaart sich selven brengt om 't leeven. Hy mest d'Afgodery, die dit vervloekte Dier Niet uyt sijn boezem bant; O noyt versade geltsucht, Die, (daar men 't harde staal kan buygen door het vyer,) Noch efter harder wort, en nimmer komt tot smeltsucht. De tijd die gaat voorby, de wind die sweeft daar heen, En naar een felle kouw, komt 't zon-licht op te dagen. Maar neen, die grijplust staat als roerloos Marmersteen, En groet den mensch als hy ten grave word gedragen. Het is het rechte spoor tot snoode dievery. Niet isser dat het hert des Giergaarts kan verzaaden, Hoe wel sy tot haar krop zijn vol in dit gety; Haar gout-aar klopt gestaag, schoon sy Gods tooren laaden Op haar verharden hals, sy schroomen echter niet, Het goed dat moet met recht of onrecht zijn gewonnen.
De deugd, vooral het best, is 't geen haar oog niet siet,, Maar 't bleeke gout, van schrik, wort van haar nageronnen, Welk is een soete borst, daar yeder een aan suygt, En niemand wil 't gehoor verdragen van het speenen. Den donder, die by na de dikke bergen buygt, De toorens slaat ter neer, en brijselt harde steenen, Is krachtig; doch het gout verbreekt al watter staat, Geen Rots en sal het gout sijn felle kracht doen stuyten, Wat isser dat de munt nu niet te morsel staat? Sy maakt van 't kromme, recht, en vroome, van de guyten. En soo een goede Boom, brengt goede vruchten voort, Soo kan men niet veel schoons, van quade boomen plukken. Het hert des Gierigaarts, soo diep in 't aartsch versmoort, Is selden tot het hoog van 's weerelds goet te rukken. Hy voet sijn eygen selfs, en niemand gunt hy wat. Gelijk een grage Leeuw sijn proy poogt na te jaagen, Soo rent een rijke Vrek, op 't goddeloose pat, Den armen altoos naar, met ziel en bloed te waagen, Want God, die 't alles siet, die dreygt een harde straf, En wil sigh van het stof niet altoos laten quellen, Maar sal op sijnen tijd door sijn verslinb're staf, Den Vrek, met al sijn goet, weghstooten na der Hellen. Van buyten is hy schoon, doch binnen schuylt de nijd, De deugd, soo hy die doet, is schijn voor 's menschen oogen. Dus mest hy 't gruw'lik Beest, dat hem het hert afbijt, Soo dat hy, tot verderf, sich jammer vint bedroogen. En schoon hy schatten graaft, soo veel hy kan of magh, Nogh echter is hy arm, en nimmeermeer te vreeden. Rijk is hy, wiens gemoed is rustigh nacht en dagh, En die de goede God opoffert sijn gebeeden. Wat deugd besit den mensch, die nimmer is versaat, En daar hy rijkdom heeft, sijn minder niet wil geeven, Dogh 't is, soo 't spreekwoord luyt, wanneer sijns leevens draat Is afgesneen, niet eer, dan doet hy nut, die leeven. Hy mist soo wel sijn schat, als 't geen hy niet en heeft, Want door een stage for g doet hy sijn leeven kreuken, Hy lijt altijd gebrek, soo lang als hy hier leeft, En sterft, door hongers nood, in eene vette keuken. Dus krijgt hy ook sijn deel in dit vergank'lik dal, En hoeft noyt op 't genot der saligheyt te hoopen. De dood staat voor sijn deur, sijn ondergang en val, Die hy, door al sijn goet, niet kan noch sal ontloopen.
Cookies on Poetry Cove