Antwoord.
IN d'eerste schepping, is den mensche in 't begin, Uyt aard gemaakt: en hem een ziele in-geblasen: Begaaft met Reeden, en met krachten tot de min: Om voort te teelen, daar de lust sigh poogd te asen. Daar Liefde, met de min (in 't teelen) is verseld: Word 't Huw'lijk (als een wet) de Teelders voor gesteld.
De Teeling (door natuur) maakt dat wy Ouders zijn. De Teeling, wederom maakt ons tot eygen kind'ren, Van die ons teelden, schoon het had een ander schijn: De daad kan niemand, maar de naam wel yemand hind'ren: Als sy (door logens) by het volk verdonkert word. Waar door of d'Ouders, of de Kind'ren zijn verkort.
De Kind'ren zijn het zaad, ja 't eygen vleesch en bloéd Van d'Ouders: die haar (door Gods wonder-werking) teelden. In 's Moeders lichaam, self met spieren-sap gevoed: Doen d'Opper-goedheyt, haar uyt d'Ouders weezen beelden. Die voor, en in, en na de Teeling zijn bezorgd, Gekoesterd, in haar schoot, als in de sterkste borgt.
Hier vloeyd de Dankbaarheyt (met volle stroomen) uyt: En leyd u, tot de plicht, die gy an haar moet toonen: Die alle diensten, en eerbieding, in sich sluyt: Om soo met weldaad, haar weldadigheyt te loonen. Want die niet dankbaar is, leeft erger als een beest, Dat noch den mensch ontsiet, noch ook sijn Schepper vreest.
De goude-Wet (die al wat schepsel heet, verduurd) Roept over-luyd, gy sult hier beyd' uw Ouders eeren. Dit, heeft ook meenig, met een sware straf besuurd, Als sy ver-achtelijk, verwierpen't woord des Heeren. VVant 't bloeysel cierd de boom, de vrucht verheft de stam, Een Soon (veel meer) ver-eerd, daar hy 't begin uyt nam.
Dus blijft sijn plicht: hy kan die nimmermeer ontgaan. Want s' is bevestigd met beloften, en met dreygen. Der Rechabiten roem, sal hem, ten spiegel staan. Der Cananiten smaad, is Chams geslachte eygen. Wie dan sijn Ouders hoond, heeft yeders vloek op d'aard'. Maar wie haar eerd, en diend, is dubbel eere waard.
Siet Sem, en Japhet: en Eneas, den Trojaan: Siet d'eed'le Claudia: siet Pero, die haar borsten An d'ouden Vader gaf, dat hy sich kon versaân, Gelijk een Kind, dat na de melk sijns Voedsters dorsten. Die kinderlijke-deugd word wonderlijk genoemd. En haar gedachtenis, met zeegening geroemd.
Maar, d'Ouders hebben in haar boesem sulk een wet, Die haar gestadig dringd de Kind'ren lief te hebben. Die door geen felle kracht van wapens, word verset: Veel minder wech gespoeld, door 't vloeyen, en door 't ebben Van luk of tegenspoed, van eere of van schand. Waar dese Liefde heerscht, daar houd Natuur haar stand.
Sy wijkt geen moeyt', geen sorg, geen pijn, geen nood, geen dood. Dit speurd men, ja, dit siet men daag'lijks, in d'op-voeding. Maar, die sich hier bevind van dese Liefd' ontbloot, Versaakt sich selve, als een Circis (in haar woeding) Of, als Athalia: die billijkheyt, en reên, En aart had afgeleyd: haar met het vee gemeen.
Indien dan d'Ouders Haat, door op-geraapte waan, Soodanig is, dat gy die nimmer kund versetten, Met deugden, die geheel op goede-reên bestaan: Wanneer gy alles doet, waar op u staat te letten: Wanneer gy haar gebrek, haar swakheyt onderstut: En in 't gevaar (na u vermogen) haar beschut:
Wanneer gy vriedelijk, behulpsaam, en beleefd, U an steld tegen haar, in al u doen en gangen: Als teegen Ouders, die u God gegeven heeft: Daar van gy 't leeven, eerst, en 't voedsel hebt ontfangen. En sy zijn onder des verbitterd, en verhard, Waar door u welstand, in 't geheel gehinderd ward.
Wat hoord gy dan te doen, tot bouwing van u staat? Sult gy u Ouders (om dat heftig haten) haten? Sult gy haar quaadheyt, weêr vergelden met een quaad? U Kindschap? om dat sy haar Ouderschap verlaten? En maken soo u self mee schuldig, an haar schuld? Neen: geenzins, maar u heul en toevlucht zy geduld.
God heeft de Ouders, wel gewapend, met een Roê, Om d'ongehoorsaamheyt der Kinderen te dwingen. Maar, nimmer liet hy die, an Soon, of Soonen toe. Schoon, d'Ouders meenigmaal, sich hier te buyten gingen. Gy kunt uw Vriend; ja Broêr met strafheyt tegen-staan. U Ouders niet: die sal God, om haar misdaad slaan.
Gods Wet, Natuur, en Reên, verbieden u de straf: En strafheyt tegen haar: al word gy seer beleedigd. Gy meugt geen Recht, dat u de Wet der Burg'ren gaf, Gebruyken; als gy uw onschuldigheyd verdeedigd. Behalven dit, soo gy u Ouders hoond, en smaat: Schend gy de struyk, gy krenkt het uyt geschooten zaad.
't Geduld, met billigheyt, omsichtigheyt, en raad, En met bescheydenheyt verseld: sal 't u wel leeren: (Soo gy de vreese Gods houd tot een peyl, en maat) Hoe gy dit onheyl van u Ziel, en Lijf sult keeren. Want die geduld heeft, en op sijnen Schepper hoopt: Verkrijgt een duurb're schat, die tijd, noch slijting sloopt.
Maar, of 't geduld (gekneld, geparst, geprangd, getergd) U dreef, om tegen haar de strafheyt te gebruyken: Wijl d'onversoenb're haat, u 't alderhoogste vergd? Wild liever wijken: en haar bits gewelt ontduyken. Doet als de swemmer, die een holle barning treft: Al duykende, sijn hoofd daar na met moet verheft.
Weest geen Bevechter: maar Verweerder in u saak; Wilt noyt op haar, als op u vyanden verbitt'ren. Poogd nimmer (vind gy stof) na d'alderminste wraak: Maar wild voor sulk een sin, als voor een gruwel sitt'ren. Gy moet hier zeeg'nen, die u vloeken op de aard. Veel meer dan haar, die u (met angsten) heeft gebaard.
Soekt gy een voorbeeld? siet den vroomen Jonathan: Hoe hy mishandeld word, van soo een wreeden Vader; Die hem ter dood vervolgd, als d'aldersnoodste Man In Israël: ja als een eygen Land-verrader. Hy wijkt nochtans noyt, van sijn kinderlijke plicht. Hy stapt sijn Vader na, de dood self in 't gesicht.
Maar soo u Ouders, u vervolgen, om u Deugd: En poogen u, daar van te brengen tot de sonde: Volgd niemand, in dat spoor, 't zy, ouderdom of jeugd. Op dat gy nimmer, word een Huychelaar bevonden. 't Is beter, dat men God gehoorsaamd, als den mensch. Al lijd gy smaad en hoon, gy hebt daar na u wensch.
Zijt gy in dit geval, noch onder haar gesach, En in haar huys, en kost: poogd vry daar uyt te raken, Mits anders haar gebied, veel meer op u vermach, Om 't doodelijke gift, en gal, op u te braken. Maar, zijt gy (door de Echt) verbonden, an een VVijf: Soo hebt gy ruymer streng, en toom, in dit bedrijf.
Gy moet u eygen Wijf, en 't heele huysgesin Versorgen: en om haar, u Ouderen verlaten. U liefde, dienst, en sorg, u arbeyd, en gewin. Moet zijn voor Vrou, en Kind: als voor u Ondersaten: Die gy beschermd, en hoed, voor alles wat haar deerd. Die gy haar Schepper, en haar Heyland, kennen leerd.
Indien dan d'Ouders, u bestormen in u huys: En met haar boosheyt, u de Rust en vreê verstooren: Ja hind'ren u beroep, als 't alderswaarste kruys, VVaar door u naam, en eer, en winning gaat verlooren: VVaar door gy dikwils, u besondigd tegen God: En maakt de weereld, u, en uw gesin, ten spot:
Soo hebt gy wederom een ander werk te doen. Soo moet gy op u self, en Vrou, en Kind'ren letten. Soo moet gy diens verdriet, en overlast, Vergoen. Soo moet gy u verstand, op 't punt van reden wetten. Soo is u 't best, dat gy van haar dien toegang neemt: En met sachtsinnigheyt, u self van haar vervreemd.
Snijd haar geselschap af, indien het moog'lijk is, En dat het kan geschiên, tot eygen Rust, en Vreede, Smeekt God, geduurig, voor haar ziels behoudenis. Gedenkt, men wijkt wel, voor een dollen uyt de steede, Gebruykt lankmoedigheyt, in erensthaftigheyt: VVanneer gy u, van haar, en van haar by-zijn scheyd.
Doch, moet gy noyt, u gonst, u oogh, u hart, u hand Van haar (in haar gebrek en swarigheyt) af-trekken. Die haar bestrijd, moet gy met reden en verstand Bevechten: en haar voor die hagel-buyen dekken. VVant, 't zijn u Ouders, schoon veraart en onbeleeft, Gy, sondigd tegen God, en wenscht dat hy 't vergeeft.
't Heeft d'Opper-wysheyt, wel, en wijsselijk gewild, Dat sy (hoe reedenloos) u souden zijn tot Ouders. Dies wacht u, dat gy noyt sijn wijsen Raad bedild: Die u dit harde-jok, geleyd heeft, op u schouders: Om dat te dragen, met geduld en lijdsaamheyt. Gods gunst-genooten, is dat dikwils opgeleyd.
VVijl gy, (door waan) van haar gehaat word, en belast Met yet, waarom sy u dus goddelooslijk hand'len.: En 't quaad te wreeken, noyt een Christen ziele past, Als, met op-rechtigheyt voor God, en mensch te wand'len: Wijkt nimmer van u plicht, schoon sy haar plicht versmaân: Soo sal u noyt dien haat, in 't minste kunnen schaân.
U Plicht, is eer, en dienst, meedoogen, in 't gebrek. Voorbidding, by de geen, die 't harte kan vernuwen. Een minnelijk gelaat: een vriendelijk gesprek: Om, wat haar ergerd, met bedachtsaamheyt te schuwen. Met hoop, geloof, en liefd tot hem, die alles siet: En yders wegen, met een wakker oog bespied.
Cookies on Poetry Cove