Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

DE Hoovaardy die is, met korte reên geseyt, Een teeltsel van de Hel, een beelt van d'ydelheyt, Een Draak, die zielen moord, die lust schept, en behagen In Koninklik gebeent, en strotten af te knagen. Het is de steegel-reep, waar langs de staat-sucht klimt, Van waarse voor een poos met Goden strale glimt, Het is een Duyvel, die by veele aangebeeden Wort voor een God geagt, tot hy s'op 't hart komt treeden. Dan is 't een spiegel-glas, van oproer en verraat, Een Suster van de Beul, de Moêr van schand en smaat, De sleutel van de boey, waar in men Princen boeyde, Een snoey-mes, dat soo vaak de braafste loten snoeyde. Een wint, die Visschers voert tot Vorstelijke staat. Een vuyst, die Koningen in vaste banden slaat. Een Gier, die listiglijk kleyn Wild-braat weet te vangen, En die in strikken set; om Adelaars te vangen. De tijt, die schuyft 't gordijn, van 's weerelds speel-toneel, En toont ons desen Draak, na 't leven, in 't geheel. Hoe praalt, hoe pronkt het Dier, met schepters, myters, kroonen, Wat heeft'et een gevolg van laag, en staats-persoonen. 't Is niet als eêl gesteent, en gout, daar 't Beest in blaakt, Dogh meest van menschen bloed, en eelt, en sweet gemaakt.

Wat siet'et trots en preuts, 't kent Vrinden, nochte Magen, Het lijd geen minder, nogh 't kan meerder niet verdragen. Het blaast een soete geur, van Muscus, en Sievet, Tot doving van de stank, daar 't rif mee is besmet. 't Behelst een heele Mars van smeer, en poeyer-doosen, Waar mee't sich jong ontdoyt, al waar het out bevroosen. Waar mee het lapt, en plakt het Saluw-geele vel, Ha! opgepronkte Droes, wat Engel lijkt gy wel? Nu roos en fenkel dau u flymerige tanden, Des morgens vroeg vervarst, en u versoorde handen, Met Mandel-kautjes, wit gewasschen, fijn, en net. Maar kom eens voor den dag, gelijk gy komt van 't bet. Al swaeyen om u hooft, een tal van krulde lokken, 't Is meest uytschedelen van 't snootst geboeft getrokken. Het kraakt van zy, damast, fluweel, en van sattijn, Sie yeder ledemaat, wou graag een Koning zijn. Hoe is het opgeciert met strikjes, mofjes, pluymen, Piljette, en kleyn kant, wat heef'et vreemde luymen. Het boven-lijf in 't wit, en onder groen, en rood, Nu blau, en geel door een, met hals, en boesem bloot. Wat lokt'et op sigh aan een tal onkunb're oogen, Hoe aardig word nu 't hoofd, dan weder 't lijf bewoogen. Maak ruymt, wie dat gy zijt, laat Monseur Duyvel door, 't Geployde kleed soekt ruymt, al lang genoeg van voor Het Monster-dier gesien, nu weder eens van agter, Daar gaat het anders toe, 'k verseker u, men lagter, Nogh singt'er niet van vreugd, al 't geen'er wort gehoord, Is anders niet als schrik, en schande, wraak, en moord, De Egho van 't gerucht, en ysselijke rasen, Zy vry meer, dan genoeg, om zielen te verbasen. Ik bid, hoor naarstig toe, want Ducke de Lucijn, Biron, en Bukkingam, die sullen tuyge zijn, Hoe door dit Monster-dier, wel hoog-gebooren zielen, In handen van de Beul, door strop, en moord-priem vielen. Ey sie, nu valt'er hier, nu weder, daar een Vrou, Die om dit Monster-dier te queeken, eer, en trou, En schaamt, en agtbaarheyt, dorst aan een zijde stellen, Hoe siet sigh desen Baas, van Wolven bits beknellen, Waar hy sigh keerd, of wend, hy hoor maar scharp gemaan, Hy weet geen beeter raad, als bankerot te gaan. Nu elders op mijn oog, wat sie ik doode lijken, Gebouwen afgebrand, en omgeroyde rijken, Soo meenig eerlik mensch, tot Bedelaar gemaakt, Door Vorsten, van dit Dier in 't moedig hart geraakt.

Rampsaal'ge Lucifer, en soo veel zaal'ge Eng'len, Die nu in 't helsche vuyr een ry van Duyv'len streng'len, Gy zijt het, die ons 't merk van 't Monster, kendbaar maakt, God geef, dat desen Draak, in niemants harte raakt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove