Liedt, op de selfde stoffe.
Stem: Mijne Harp bekleedt met rouw.
1. DIe vernuwd is, en herboren.2. Cor. 5.17. Door des Heeren geest:Joan. 3.3, 5, 6 Struykeld wel, als van te voren:Jac. 3.2, 3. Maar hy rijst: en vreest.Prov. 24.16. Daarom, mach men hem wel noemenPsal. 37.24. Op-recht, goedt, en vroom.Hebr. 11.6. En d' oprechtigheydt verdoemen,Rom. 13.23. Buyten dese Toom.Tit. 1, 15, 16.
Laat een boose Vrouw dan woeden;2 Reg. 11.1. Schoon se veel kan doen.1 Reg. 21.7, 8 Laat men wanen, en vermoeden,Apoc. 2.20. Dat sy 't quaadt kan voên.Prov. 12.4. Sy, sal Noyt soo 'n man verwinnen:Job. 2.10. Om ook Boos te zijn:2 Sam. 6.21. Noch beroven van sijn sinnen: In de daadt, noch schijn.
Swijgd van Socrates. sijn goedheytVal. Maxim. lib. 3. cap. 4. Was maar water-verff. Sijn stantvastigheydt, en vroedheydt, Had noch glans, noch nerff. 't VVas in waan, en niet waarachtig: Mits hy Christus derft.Joan. 14.6. Diens Geloof (door Liefde krachtig)Jac. 2.14, 26. Daar men 't heyl meê erft.Joan. 6.35.
Job. 2.10. Maar wild gy een voorbeeld weeten? Job. 42.7. Neemt den vromen Job, Die (ver-oordeeld) heeft geseten Als ten galg, en strop. Die en goed, en bloed, en eere (Schielijk) heeft gemist. Die den vyand, met veel sweeren, Gruw'lijk, heeft vernist. Job. 2.20. In die bitterste versoecking, Wierp sijn eygen Wyf, Job. 19.17. Haar Versmading (meer, als vloeking) Godloos, hem op 't lijf. Job. 4.7. Plaagden hem sijn naaste Vrienden: Job. 13.4. Met een schijn van troost: Job. 19.15, 16, 18, 19. Quelden sy hem, die hem Dienden. d'Een, heeft d'aar verpoost. Job. 1.8. Hy was Op-Recht, vroom van leven, Job. 2.3. Dit getuygd God self. Job. 42.7. 't Lof is hem alleen gegeven, Onder 't blau gewelf. Nochtans wierd hy so bevochten. Nochtans bleef hy staan, Spijt de Duyvelsche gedrochten. Niemand kan hem schaên.
Psal. 111.10, De vreese des Heeren is het boginsel der wijsheydt: alle diese doen, hebben goed verstand.
Joan. 10:27, 28. Mijne Schapen hooren mijne stemme, ende ik kovre de selve, en sy volgen my, ende ik geeve haar het eeuwige leeven: en sy en sullen niet verlooren gaan, in der eeuwigheydt.
Prov. 14:27. De vreese des Heeren is een spring-ader des levens: om af te wijken van de strikken des doods. Jacob Steen-dam.
Noch vaster.
Cookies on Poetry Cove