Antwoord.
O Musa! leent u gunst, ick heb u hulp van nooden, Tot antwoort op dees Vraeg, om dat dit word gebooden, Door eene die de gunst van elck wel waerdigh zy, Om dat hy door haer gunst gaat and'ren verd voorby. Indien een Vrouw haer Man yets reed'loos stelt te vooren, So dient dan om sijn regt, en waarde na behooren Te houden, dit gedaen: een Man behoort hem nooyt Te steuren aen een Vrouw door sotheydt op-geroeyt; De boosheydt selfs hoe boos, wordt door de deugt verdreeven, En schempt nooit op haar daan, so sal sy staan al eeven, Gelijck de Rouw: beschaamt, want elck met reen bevind, Dat de goetaerdigheydt de boosheyt ligtst verwint.
Een Vrouw word, door de reên, of slagen noyt verwonnen, Haer boosheyt wil de strijt: want die 't ooit heeft begonnen, Die wenste wel met reen dat sulx nooit was begost, Haer gramschap neemt al aen, hoe word hy dan verlost? Het dreygen gelt gans niet; gelijck een Man verweeten Wierdt daeg'lijcks van sijn Vrouw, als dat sijn hooft vol neeten En luysen was: van haer hy hierom wierd genoemt Staagh Luyze-bos: daerom heeft hy haer vaack gedoemt, Gedompelt in een Put, de doodt-verf op haar lippen, Noch stack's haer ving'ren op, en hielt haer als te knippen; 't Gedult hy nam tot hulp, en elck daer door bevindt: Dat de goedtaerdigheydt de boosheydt ligtst verwindt.
De aghtbaerheydt eens mans is waerd geaght van waarden, Hoe sal een Man sijn reght en aghtbaarheydt aenvaarden? Het best: wanneer die geen sijn willen wederstreeft, Het Vrouwelijcke beelt hier door haar boosheydt leeft; En so hy als 't behoort haer gramschap soeckt te dooven, So stuurt hy 't weer om laagh, daar door 't is op-gestooven, En volgt sijn eygen sin, die houdt sijn aghtbaarheydt; Als Socrates, die ligt stelt, wat haar boosheydt seydt; Hy houdt sijn reght, die staag haar boosheydt soekt te schaaven, En krijgt tot loon hier voor, dees over-waarde gaaven, Van overwinnaar t'huys: want elck met reen bevint: Dat de goedtaerdigheydt de boosheydt ligtst verwindt.
Cookies on Poetry Cove