Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Merk-teekenen.

Stemme: Doen Daphne d'overschoone, &c.

O Hemel-vyand, pest, en plaag, Voor 't huys, en voor stad, en voor zee, en voor land, O al-bederf, al bergt gy staag Uw haatelik hoofd nogh soo schuuw aan een kant, In 't kleed van schijn en deugdelikheden, Soo stadig, soo stemmig, soo suur en stuur, Het aansight gefronseld, uw mijnen, en treeden, Uw grimmen, grimmassen, heel buyten natuur, Vertoonen naakt, dat gy, De grootste Hoovaardy, Hoe leelik, en schendig gy die afmaald, In 't hart nogh met lievende lonkjes bestraald.

't Gekrul, gehul, getoy, geswier, Die strikken, die qwikken, die overdaad, Dat mooy, dat hooy, dat vreemd gecier, 't Vernissen, en smeeren, en dartel gelaat, 't Vermomde schepsel onwaardig t'aanschouwen, Schijnt schaamrood voor's Maakers al wijse hand, Wil maaksel, nogh weesen, nogh eygenschap houwen, Maar sweeft nu in die, dan in deesen stant, Waar strekt dees dertelheyd, Dogh anders toe, dan seyd Al 't sorgen, al 't schraapen, die woeker, die list, Niet dan tot de grootsige Hoovaard ist.

Dan praalt juweel in 't vorst'lik goud, De dierbare Paerl op 't blanke Yvoor, Paleysen Hemel-hoog geboud, En Saalen, en rijkke Saletten, zijn door En door verciert met konstb're Tafreelen, Met rijke Tapijten, en al wat maar Tot groote welstand de oogen kan streelen, En wie in sulken staat, by haar Juyst niet en evenaart, Die is noch wijs noch waardt.

Dit kleed van de weelde dat yder behaagd, Is 't selve daar Hoovaard den sluyer af draagd.

Sijn eeven mensch benevens hem, En weet niet, en kan niet, en magh niet, alschoon Hy meerder wist, 't is al sijn stem, De wijs heyd is nergens dan by hem ter woon, Dit doet sijn mond verwaandelik spreeken, En snorkt dit heerlik Babilon, Heb ik gestight, mijn stam een teeken, Mijn naam ter eeren, en soo hy kon Bekoomen, hy nam meer, Dan menschelijke eer. De dwaase, en hoog-opgeblaasen sot, Soekt eer voor hem selven, tot nadeel van God.

Maar't alder kenlikxt dat ik kan, Uytbeelden, is 't hoofse, niet waardig verscheel, Waar in den trotsen Edelman, Te god'loos vermeetel, om 't minste krakeel, Sijn lijf en ziel, soo dierbaar verkreegen, Waagt op de genade van 't siedende bloed, En dollen dolk, en moortsen deegen. Waar is dan de Liefde? daar d' euvele moed, Verdragen heel vergeet. Ootmoedigheidt vertreet. O schendige sotheyd! wie siet niet gewis, Dat dit't regte teeken van Hoovaardy is.

Theunis Albertsz. vander Laan.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove