Antwoord.
Stemme: Doen het Orfeus Bruyloft was, &c.
1. GEen Herkulus, nog Simsons kragt Kan my de Herssen-deuren Uyt haare grendelen, met magt, Ligten, nog open scheuren. Alleen Minerva kan my zoo Den neevel doen verdwijnen, Dat voor dien tweeden Cicero, Mijn Antwoord mag verschijnen; Wel aan dan Pen, al zijt ghy niet gedoopt in Pegaaz vloed, Nadien ghy weet dat slegte spijz het Lichaam meede voed.
2. De Wijn, de weeld', en d'Aardsche schat Kan wond're werking werkken Op 's menschen hart, 't is waar! maar dat Leerd ons ook daag'liks merkken,
Dat (eeven als de schaduw zweeft, En 't Lijf volg op de hielen) Zulks kommer, en ellende geeft, En onlust aan de zielenVerstaat hy de ziel het leeven. Dus 't aangenaamste schepzel, dat den Heemel heeft geteeld, 't Welk wijse Vorste dwingd, is een schoon, vleyend, Vrouwen-beeld.
3. 1 Reg. 1. Den wijsen Koning, Davids Zoon, Die als een gulden reegen, Zelfs uyt des Heemels gouden troon De wijsheyd had verkreegen, Wierd door der Vrouwen list verrukt, Van 't zalig padt zijns Heeren; Of schoon de wet stond vast gedrukt In hem, hy gingk zig keeren, Tot Heydensche Afgoden-dienst, vol gruwelen verwardt; Dus wierd hy speelende vervoerd, met een geneegen hart.
4. Genes. 2.19, 20. Den eersten Man, door wiens wijsheyd Al 't Vee, in 't Lust-hof Eeden, Gen. 3.6. Zijn naam verkreeg, die werdt verleyd Door 't Wijfs vleyende reeden Ja wierd als speelende gevoerd Van 't padt (om zoo te spreeken.) Waar deeze wind, de zee beroerd, Moet 't Schip der zielen breeken. O! weezen alles weezens! Hoe heeft dogh uw sterkke handt Alzulk een aangenaamheyd in het Vrouw'lik-beeld geplandt.
5. Niet Zoeter, dan een vleyend wijf, Ja! geen dingk aangenaamer: Haar gif, dat dringt door ziel, en lijf In 's harten binne-kamer: Dien gouden kop, van vleyery, Ten boorde vol geschonken, Maakt 't wijste breyn, hoe kloek 't ook zy Gansch duyzelig, en dronkken; Dus wie ditRegt. 16. Delilas fenijn vermag te weederstaan, Is magtig om al 's Vyands magt, Ridderlik af te slaan.
6. Bewaard my dan, agh Heemel! voor, Die zingende Meerminne: Want wie haar eenmaal leend het oor, Die word, met hart, en zinnen, Al speelende gevoerd, (door haar Listige Toover-zangen) Van 't padt der zaligheyd; want waar Deez' looze netten hangen, En Minne-strikken van bedrog, dus listig zijn gezet, Daar word de wijste voogel zelf gevangen in het net.
Cookies on Poetry Cove