Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Sang, op den selfden sin.

Stemme: Gelukkig is den mensch, die sich, &c.

I. EEn Man, die 't acht gewin, Sich, na Gods-wil te voegen, Sal God, en sijn gesin, (In Christi naam) vernoegen: Als hy God-vruchtig leefd: God, en den Keyser, geeft Dat elk te eyschen heeft. De vreese Gods voor al Te hebben: en te leeren. Voorsichtig, in dit dal Der tranen, te verkeeren. Sijn Huysvrouw (als een Kroon) Sijn zaadt, des huw'lijks loon, Te leyden: tot Gods Troon. Gelukkig is het huys, Bestuurd, door dien Huys-vader: In voor-spoed, en in 't kruys, 't Rust op hem, alle-gader. Hy sorgt voor ziel, en lijf, Van Dienst-boôn, Kind, en Wijf. En dempt haar vuyl gekijf.

Deut 16.20. Gerechtigheyt, Gerechtigheyt, sult gyna-jagen, op dat gy leefd. 1. Ioan. 5.4. Want al wat uyt God gebooren is, overwind de wereld, ende dit is de overwinninge die de wereld overwind, (namelijk) onse Geloove. Jacob Steen-dam. Noch vaster.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove