Antwoord.
't IS al om 't drekkig gelt, dat yeder loopt en draaft, Elk poogt om strijd; naar schat, een ander na te rennen. 't Is al om 't bleeke goud, 't geen men uyt bergen graaft, Dat meenig haar tot quaad, en 't vuyl-gewin, gewennen. 't Is loffelik dat elk sijn nooderust besorght, Door middelen, van God, en yeder mensch gepreesen. Maar vaak 't verkreegen gelt, die waarde ziel verworght, En helpt den geen van kant, die 't acht sijn God te weesen. 't Gelt lokt de gierigheyt, welx beeld hier word versocht, Naar 't leeven afgemaalt te werden: met haar vruchten. Maar geen Mercurius schacht, kan dit verdoemd gedrocht, Afschild'ren naar den eysch, elk moet hier voor versuchten. S'is een vergulde bron, die nimmer water geeft, Voor datmen haar met kracht, tot morsfelen verpletrert, Dan bruyscht sy 't goude nat, dat s'in haar boesem heeft, Met golven uyt, ree dik door schimmel-drek beettert.
Een kost'lik cabinet, met een vuur-gloeyend slot, Dat staag den sleutel smelt, wanneer men 't wil ontsluyten, Soo blijft het eeuwig toe; en niemand heeft genot Van d'innerlijke smert, die goude en silv're kluyten, Een voose en bolle spons, die stadig water trekt, En nimmer yetwes geeft, ten zy mens' uyt gaat perssen Met kracht: waar door men noch maar druppelen verwekt, Te zijp'len van haar af, tot nooderufts ververssen. Een opgespalkte keel, die noyt en is versaat, Hoe meerder voedsel haar, wort toegevoegt, hoe graager Sy in het swelgen is, de gelt-sucht is een vraat, Die alles in-slokt, doch blijft eeuwig rank en maager. Een Monster, datter veel, van al haar welvaart rooft, En doet, door die 't besit, veel ramp en gruw'len maaken. Een wortel van 't verderf, die waare deugd verdooft, En maakt dat veele d'angst, en smert, der Hellen smaken. Een Duyvels minne-pop, en oorsaak aller quaad, Waar door dien Hel-honds Soon, 'k meen Judas, wierd bewoogen, Om Christus te doen doôn; door sijn vervloekt ver-raad, Waarom sijn ziel' ook voor den Duyvel is gevloogen. Een Beest, dat niet alleen eens anders schat verteert, Maar 't is een vyand selfs, van die het voed in 't harte, 't Ontsteelt hem vlees en bloed, en al wat hy beheert, Ontrooft het hem, als hy een ander meent te tarte. VVant vaak, een vrek ontmoet, gelijk 't den Arend ging, Die 't vlees van 't autaar roosd' en bracht het by sijn Jongen, VViens nest door 't offer-vuur, 't welk aan sijn proye hing, Ontstak: waar door hy, met sijn kroost; is opgesprongen. Soo rukte, dit gedrocht, de ziel uyt Crastus lijf: VViens harte, en handen, staagh, haar in sijn schat verlusten, Tot dat sijn lichaam wierd gevonden; koud en stijf Op d'ys're geld-kist, daar hy nacht, voor nacht, op rusten. Dit is de Giergaarts lot; schoon hy hem selven streelt, En segt, mijn ziel maak vreugd, gy hebt voor veele jaaren, U schatten opgelegt. Maar dwaas; de Heer beveelt, Dat desen nacht, u ziel sal uyt u lichaam vaaren. Ook randen 't Midas aan, toen hy begeerden, 't geen Hy roerde in louter goud verwiss'len mocht, sijn beede Wierd hem vergund, maar laas! hoe trilden hem sijn leên, Toen hy van spijs en drank een gouden Afgod smeede, Hem hongerde, maar laas! geen kost, sijn grage mond, En maag, versaden kon: hem dorste, maar het laaven Was uyt: al wat hy greep, veranderde terstond, 't Welk haast sijn lichaam had, in d'aarde doen begraaven.
't VVas nut een yegelik, dit wangeschaapen Beest, Uyt hart' en ziele band, en nimmer socht te voeden, Ja schuwden, want wie 't eens sijn ingewand, en Geest Bekruypt; sal 't jammerlik veel ramps en onheyls broeden. Den Roomschen Opper-voogd Caligula, verwoed Door Gierigheyt, benam veel rijke Burgers 't leeven, Om al haar kost' likheyt: haar geld, haar schat, en goed Te rooven, naar hun dood, die aan sijn ziele kleeven. Een Gierigaart haakt staag, naa 't geen een ander heeft, En noyt sal yemand van hem, eenigh gelt verwerven. De Gierigheyt verlaat hem niet soo lang hy leeft, Maar scheyt wanneer hy sterft, en komt met hem te sterven.
Cookies on Poetry Cove