Aan J. Zoutman Junior,
Op de zelve Vraag.
ZOutman, uwe jonge jaren,
Tarten duizend grijze haren,
In de konst en weetenschap.
Dit getuygen uw gedichten,
Die vermaken, en die stichten,
Dat een Man, daar door, de trap
Van de deugde weet te vinde,
Tot een vreugd van sijn Beminde,
En genoegen van sijn God.
Koom ontfang dan 't tweede lot.