Toe-Zang.
1.
't GAat qualijk, daar dees twee
Niet eens zijn met elkander,
Daar liefde, trou, en vree,
Noit planten haren stander.
2.
Gelukkig sien sy saam
Haar huwlijx toors ontsteeken,
Wanneer sich yder schaam,
De liefdes knoop te breken.
3.
Dan slijten sy haar jeugd,
Den bloesem van 'er jaren,
In blijdschap, en in vreugd,
En roemen 't wettigh paren.
Lieft standtvastigh.