Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

AL komt het koppig Swijn, met dulle boose kaacken, Al komt de vier'ge tong van 't alderbooste Wijf Te storten op den Man het Duyvelsche gekijf, En 't alderslmste quaat, ja 't Satans vier te braacken, Soo sal zy echter niet den Man sijn kroon ontschaacken, Die blinckt van suyvre deucht, al brult zy noch soo stijf, Sijn vroome ziel, die sal hier door niet van 't verblijf, Noch sijn oprechtig hart van vromigheydt geraacken; Haar bitze lip, die sal niet stuiten sijnen trant, Vermits sijn goedigheydt, blinckt als een Diamant; Al komt haar volle krop van vyer en vlam te breeeken, Soo sal sijn vroom gemoet, en oock d'oprechtigheydt, Die als een Goude kroon is in sijn ziel geleydt, Tot een verboode wraeck noch tooren niet ontsteecken.

En off haer Satans vloeck yets in sijn hart mocht baaren, Soo datter uyt sijn mondt quam een hart-schijnigh woort: Dit evenwel komt niet uyt dulle boosheydt voort: Maar't is, om hare ziel met sijn te mogen paaren, Op dat zy mochten saam des Hemels schat bewaaren. Al roept zy vier en vlam, als of zy wierdt vermoort; Doch echter wort zijn hert niet grimmighlijck verstoort. Hy sal uyt bitt're Gal het Honingh-sap vergaaren. Gelijckerwijs het Gout den modder overtreft, Soo is de schoone deucht, by nijdigheydt verheft; Wie isser die de deucht en nijdt wil samen planten? Gelijck des Heeren beelt, des Satans beeldt verplet; En d'Oly in een Schaal het water neder zet, Soo wijckt de nijdt voor deugt, als slijck voor diamanten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove