Antwoord.
NAast onsen grooten Godt moet men sijn Ouders eeren; Die 't niet doet, gaat Godts wet, en des Natuur af-sweeren. 't Is on-natuurlik, dat een mensch sijn Kind'ren haat, On-redelik is 't, dat sulks aan Kind'ren oordeel staat. De Kind'ren wanen wel, dat d'Ouders 't arghste wanen, En dikwils zijn zy 't zelfs, die daar de wegh toe banen. Veel' Kind'ren oordelen na jaren en verstandt. Zy wilden d'Ouders zelfs geern zetten na haar handt. Als zulks dan niet geschiet, en op geen draat wil volgen, Dan is puys 't ooghjen uyt, dan wordt men heel verbolgen, Dan noemt men d'Ouders haat gansch onverzett'lik fel, 't Is veel in 't kort gezeydt. Maar is 't daar mede wel? Ten minsten moet zulks voor den Rechter zijn beweezen, En wie zal Rechter van de Soon en Ouders weezen, In 't geen regeering en het huys-gezach aan gaat? Want 't geen in 't Goddelik recht, en Godes dienst bestaat, In 't Volk'ren, Burg'ren, en naturen-recht, die dingen Die komen op haar aan, die kind'ren t'onrecht dwingen: Die scheyden d'Ouders dan soo verre van het Kindt; Maar soo het Kint het dan na 't Rechters oordeel wint, Soo moet het echter, dat het is de minste, denken, Nogh sijn gehoorsaamheyt daarom in 't ander krenken. Schoon on-rechtvaardelik sijn eysch hem wert ontzeydt, Moet het stantvastig zijn in Christ'nen lijdzaamheydt. Wil 't handel tot de ziels en lichaams wel-standt dryven? 't Weet dat die Teelers zijn, en zy geteelde blyven; Noch varen uyt in toorn, die lichaam scheydt en ziel, Maar weeten, dat die straf om zonden op hem viel; En het mis-noegen moet hy in die zaak verlooven, En alles laten in die Rechters handt daar booven. Die komt de wrake toe, en niemant op der aard', Dit recht is, 't geen voor zich die Opper-rechter spaardt.
Schoon d'Ouders haat (door waan) dan onverzett'lik fel,, brant, Zoo denke dan de Soon tot ziel en lichaams wel-stant, Mijn onschult is mijn troost, ick zegh niet meer daar af, Mijn leeven is voor hem, die my het leeven gaf.
Henrik Bruno.
Cookies on Poetry Cove