Antwoord.
HY stoppe, als met was, de ooren voor 't gekijff. 't Is oneer voor de Man stijf-koppig weer te rasen. Saftsinnigheit die stilt de gramschap van het Wijf, Hier leit het onderscheit van wijsen en van dwasen. 't Weerstribblen vordert niet, 't is oly in het vier. Best laatm' een quade buy, al sagjes overwayen. Die Man behout sijn eer door reden, geen getier: Verliestse, met alom haar feilen uyt te kraeyen. 't Kort swijgen is een deugt, die yder kroont met loff. Geluckig, dien dees kunst van jongs is aangebooren, Zijn roem hy nimmer siet in 't voetsant, nog in 't stoff. Dus doende heeft noit Man gesagh nog regt verlooren.
Een Vrouw is als de zee, 't oploopende gemoed, Een zeebaar, die de wint komt hooger op te jagen, Selff datse boven 't steil van hare kimmen woed. Niets kan een gramme Vrouw haar heev' gemoet versagen; Zy laat' er, als verset, niet teuglen door gewelt; Het sal haar raserny slegs hooger op doen stijgen. Grof doolt hy, die zich self met fors daar tegen stelt. De zulke mag men regt met onverstant betijgen. Men moet een toornigh hert met reden ondergaan: Het rasen, schoon men 't hoort, t'hans veinsen niet te hooren; Natuer die leert' er self dees wegen in te slaan, Dus doende heeft noit Man gesagh nog regt verlooren.
't Is lofflijk, sig hier in te dragen als het hoort: Soo zeilt hy, vry en vrank, de bitse nijd te boven, Daar anders die soo vaak sijn eer-naam ringeloort. De ondeugt, trots haar self, soo edle deugt moet loven. 't Is swakheit, vaart een Vrou al somtijts heftig uit: Maar dwaasheit, komt hy mee te euvel uit te spatten. Door saftheit wort een dier in 't woeden self gestuit. Daar ymant 't beter kan, daar 't slimmer aan te vatten? Wie stemt niet dat dit spruit uit louter onverstant. Best, die de wijsheit hier tot leits-vrouw heeft verkoren. De reden en 't gedult die strekken tot geen schand. Dus doende heeft noit Man gesag nog regt verlooren.
Cookies on Poetry Cove