Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Gesang.

Stem: Al ben ik Lucifer, van Godt verstooten, &c.

DE reyne Liefde lijdt het al, Sy stapt den kruys-weg in, Weet wel dat in dit traanen dal, Haar lijden neemt begin: En of sy hier verdrukt, veragt, Verbannen, en vertreeden VVordt, namaals sal haar waardt geslagt, In nooyt gesteurde vreede Herschaapen, na dit sterffelijk in 't eeuwig rijk. Die meest liefdt, is aan Godt het naast in eygenschap gelijk.

VVie sou niet om soo waarden kroon, Dees' kleyn onseek're tijt, VVat leet verdraagen? t'wijl Gods Soon In onschuld willig lijt, Verduldig een vervloekte doot, Om onse schult en sonden, Ogh! goeden Heemel-voogt! hoe groot Is uwe Liefd bevonden, Aan uw vyanden, door de sond by God straf baar? Alwaar den Hopman voorgaat, volgt den Solder billik naar.

Ik wordt beloogen, en belagt, (Segt ghy, en schalk belaagt, Geschent by yeder een veragt, Mijn gunst'lingen verjaagt: VVaar uyt mijn broot moet in mijn huys, Voor my, voor VVijf, voor Kind'ren: VVat dunkt u? kander swaarder kruys In dese werelt hind'ren? 'k Beken, het is voor vleys en bloed een bitt're smart, VVant traptmen yemant op sijn beurs, men trapt hem op sijn hart.

Dan als soo hoog een nood uw dringt, Dan moogje spaarlijk, an Sulk een verklaaren, watje dwingt Om (teegen pligten van Een saak, die tot het herte raakt) Uw' Ouders vuyl te uyten. Dogh: t'wijl dit vuur onblus'lijk blaakt, En nergens is te stuyten, Soo berg, ay! berg, al watje meugt, en vlie de brandt. Als 't schip in zee te gronde sinkt, vergeefs gekermt aan strandt.

Hoopt vast op hem, wiens moogentheyt Al 't aartsch te booven streeft, Die niemand meerder last op leyt, Dan hy vermoogen heeft, Schijnt uw dit kruys te swaar? grijp moet, Geen Simon sal uw schraagen, Maar Jesus, die volkomen goet En sterk is, helpt uw draagen: Sijn jok is soet, sijn last is ligt: die spreuk gaat wis. Daar d'Almagt self te hulpe komt, men alles machtig is.

Theunis Albertsz. vander Laan.

Antwoord.

ICk sal, op 's Vriendts versoek, nu hier den wijsen speelen: Een Blinde draagt de toorts voor d'andere, die sien: d'Onkunde in maat-gesangh, sal keurige ooren streelen: Ghy riekt hier tijm uyt loock, ick kom u bloemen bien. Psalmisten, Salomons, Aurelen, Epicteten. De pen der wijsen, kan d'onwijse wijs doen heeten.

De Soon die toets sijn wil, aen Godes wil en wetten: Soo vindt hy sijne wil op reên of waen gevest. Hoe naader Godes glans, hoe sigtbaarder ons smetten. De boose waen verstrekt voor d'eedele ziel een pest. Een goe besluyting kan 't gemoet onwinlijk maken. Hy struykel ligt die steunt op losse onvaste saken.

't Is al vergankelijk, en vol veranderingen: Die het gemoet hier aan wil hechten, wort ontroert. d'Onwijse, laat sigh door sijn togten slaafs bedwingen: De wijse, sie het spel des weerelts aan, als boert. Haar vriendschap, die verbeelt ons Hontjes die t'saam speelen: Een brokje, tusschen tween geworpen, baart krakkeelen.

Een brokje lants, doet Vaâr en Soon, te samen wrijten. Gins hitst de heerschappy' twee Broederen ten strijdt. Hier lokt een hals juweel, de Man en Vrouw tot smijten. Elk mint voor anders nut, sijn eygene profijt: Natuur hout ons gestaag het eygen nut voor oogen: Maar waan van nuttigheyt heeft duysenden bedroogen.

De Soon moet 't nut met deugd en Gods vrees t'samen paren: Maar niet met 't uyterlijk, te weynig hier geagt, Soo sal hy sijn gewis met schult noch anghst beswaren. Sijn nut zy eer en trou, aan 't menschelijk geslagt,

Weldaat en lijdsaamheyt, g'lijkmoedig te betoonen: Die lijdt en mijdt, de tijdt en waarheyt vlecht hem kroonen.

De waan blint yeders oogh, elk houdt sijn wil voor reeden: Te meerder dan verdragh, den Soon der Oud'ren waan. 't Gebrek, der Ouden wordt ('t is wijsselijk) geleeden: 't Gedult, en weldoen, kan dees huys-pest ondergaan: 't Geen onversett'lik scheen door reedenen versetten. Men vangh de stijve waen best in haar eygen netten.

Wat raad, des Ouders haat wil na geen reeden hooren? Vergeef het hun, ô Soon, het is haar onkundts schuldt: Bidt Godt, hy oopen haar hun oogen en hun ooren: Zijt lijtsaam, en verdraagh, hebt Christelijk gedult: Leeft datge aan Gode lief en waart zijt, hy u Vader. Gods Scherm-liefde overwint deese aartschen allegader.

Toe-Zang.

Stemme: Het daget uyt den Oosten.

1. O Goude Eeuw rechtschapen, eer Grootmoêr d'appel beet: Gy saagt geen waan, nogh twisten, geen nijt, geen harten leet, Ghy saagt geen waan, nogh twisten, &c.

Maar doen Pandoras doosje kreeg opening en lught, Wegh vloogen alle de deugden, daar bleef niet als 't gerught, Wegh vloogen al de deugden, &c.

Helaas! wie is nu seeker, elk vlamt op eygen baat, De Vader haat het Soontje, de Soon de Vader haat, De Vader haat het Soontje, &c.

Hoe dus in 't quaat bedolven, neem Godts gebooden aan, Lieft God, en uwen Naasten, soo sal het u wel gaan. Lieft God, en uwen Naasten, &c.

Drijft de begeert en wrekheyt, de nijt en afgonst uyt, Het zijn maar yd'le wanen, onseker van besluyt. Het zijn maar yd'le wanen, &c.

Eert Vaders gryse hayren, en dempt sijn suur met soet, Het oeffent uwe zeden, sijn tooren is u goet. Het oeffent uwe zeden, &c.

't Gedult dat is hetMarkurii vreede-staf. roetje, daar men soo veel van houd, Wat gy daar mee kont raken, verandert al in goud, Wat gy daar mee kont raken, &c.

Heft opwaarts uwe oogen, en spreekt vrymoedigh uyt, O Heer! 'k sal 't al verdragen, ik eer u wijs besluyt. O Heer! 'k sal 't al verdragen, &c.

Dit zijn de beste raden, die ik te vinden weet, Zoo dempt gy dese quaden, de waan, en harten leet. Zoo dempt gy dese quaden, &c.

P. Verhoek.

Antwoord.

NAast onsen grooten Godt moet men sijn Ouders eeren; Die 't niet doet, gaat Godts wet, en des Natuur af-sweeren. 't Is on-natuurlik, dat een mensch sijn Kind'ren haat, On-redelik is 't, dat sulks aan Kind'ren oordeel staat. De Kind'ren wanen wel, dat d'Ouders 't arghste wanen, En dikwils zijn zy 't zelfs, die daar de wegh toe banen. Veel' Kind'ren oordelen na jaren en verstandt. Zy wilden d'Ouders zelfs geern zetten na haar handt. Als zulks dan niet geschiet, en op geen draat wil volgen, Dan is puys 't ooghjen uyt, dan wordt men heel verbolgen, Dan noemt men d'Ouders haat gansch onverzett'lik fel, 't Is veel in 't kort gezeydt. Maar is 't daar mede wel? Ten minsten moet zulks voor den Rechter zijn beweezen, En wie zal Rechter van de Soon en Ouders weezen, In 't geen regeering en het huys-gezach aan gaat? Want 't geen in 't Goddelik recht, en Godes dienst bestaat, In 't Volk'ren, Burg'ren, en naturen-recht, die dingen Die komen op haar aan, die kind'ren t'onrecht dwingen: Die scheyden d'Ouders dan soo verre van het Kindt; Maar soo het Kint het dan na 't Rechters oordeel wint, Soo moet het echter, dat het is de minste, denken, Nogh sijn gehoorsaamheyt daarom in 't ander krenken. Schoon on-rechtvaardelik sijn eysch hem wert ontzeydt, Moet het stantvastig zijn in Christ'nen lijdzaamheydt. Wil 't handel tot de ziels en lichaams wel-standt dryven? 't Weet dat die Teelers zijn, en zy geteelde blyven; Noch varen uyt in toorn, die lichaam scheydt en ziel, Maar weeten, dat die straf om zonden op hem viel; En het mis-noegen moet hy in die zaak verlooven, En alles laten in die Rechters handt daar booven. Die komt de wrake toe, en niemant op der aard', Dit recht is, 't geen voor zich die Opper-rechter spaardt.

Schoon d'Ouders haat (door waan) dan onverzett'lik fel,, brant, Zoo denke dan de Soon tot ziel en lichaams wel-stant, Mijn onschult is mijn troost, ick zegh niet meer daar af, Mijn leeven is voor hem, die my het leeven gaf.

Henrik Bruno.

Antwoord.

GEen hertstoght, die, op waan gegrontvest, onse zinnen, Gebuygsaam door 't verstant, doet haaten of beminnen, Is onversettelik. De weerelt keert, en wendt, En niets staat hier soo vast, of 't wisselt door sijn endt. Indien de liefd' in 't hart des Ouders tot haer Kind'ren, Die onversett'lik schijnt, door tranen kan vermind'ren, Of, tegens de Natuer, verwisselen in haat, Soo volght, dat ook haar haat, niet onversett'lik staat, De reden kan de waan ontdekken, aen onz' oogen. Wil dan een Jongeling, sijn Ouders liefd' ontoogen, Sich vindende in haat vervallen, door de waen, De welstant van sijn ziel en lichaam gade slaen, Hy lette uyt welk een bron, haar haat is voortgekomen. Soo 't vaderlijke hert, door driften ingenomen, Den Soon verwerpt, en waant verongelijkt te zijn; Hy toon dan sijn bedrijf, heel anders als de schijn, Tot liefde en vrientschap strekt, dat door het eyndt sal blijken. Dus sal de waarheyt schijn, en haet, en waen, doen wijken: Verdovende al de brant, en gramschap, die 't gemoed Des Ouders had vervoert, tot haten van 'er bloet. Indien hem kracht ontbreekt, om hun haar waan t'ontdekken, Soo dat hoe hy meer traght haar vrientschap te verwekken, Hoe hy haer haet meer terght, naer dien al wat hy seyt, Van haer wert opgevat, voor dubbelhartigheyt; Soo bid hy om Gods liefd', en bystant in sijn traghten, Van Godt, die d'afgonst haet, magh hy sijn heyl verwaghten: Dees, die de harten proeft, en als de beecken leyt, Herschept haar twist in vreê, 't voor-oordeel in bescheyt. En of Godt, die 't geloof der vroomen vaeck wil proeven, (Soo 't spreekwoord seyd; als of hy oogh-blik sou behoeven, Daar zijn alweetentheyt, voor 't toetsen van 't gemoed, Elks vastigheyd wel weet) haar haat, nogh blust, noch voed; Hy denke dat hem God, niet om sijn ziel te quellen, Maar om hem ons ten baak van lijdsaamheyt te stellen, In d'Ouders haat laat zijn, en eynd'lik door 't geduld, Behaaght hy God, wiens reght, hem oordeelt sonder schuld.

Laat hy de haat, maar niet sijn Ouders die hem haten, Verachten, waar door 't hart, all' ergwaan sal verlaten. Hy vlie sijn eygen toorn, voor-oordeel, wraak, en nijt, En, hout haar haat nogh stant; hy bid, hy lijd, en mijd.

Die raat voor haat, aan my gelieft te vragen, Sie hier mijn stant, en hoe ick my sal dragen.

Toon: Malo mori, quam occultare rerum.

1. WIe onbenijt, vol-deugdig voor Gods oogh, Op aard' een schat, die noyt versterft, naar 't leven, Begeert, en soekt, raakt nimmermeer soo hoogh, Ten zy hy 't hart, sijn toghten heeft ontdreven. Hy die dit vraaght, hoe 't haten is t'ontgaan, Benijd my selfs; want 't is de Dighters eygen, Dat sy, uyt haat, die in haar vaarsen raan, Met laster-schrift, in 't light of heymlik dreigen. Maar 't zy, wie 't zy, wiens haetsught op mijn woelt; (Want veel' aan 't oogh, alleen mijn vrienden schijnen) Die weete, dat mijn hart geen lijdingh voelt, En ik niet haat, dat hy sich selfs gaat pijnen. Is ook mijn Sang vol feylen, naar de konst; Hy toonze, ik sal sijn onderwijsingen prijsen. Veracht hy 't al uyt haat; ick aght het gonst, En soek 't gebrek, dat hy me haat te wijsen. Wie siet, en weet, dat hy gebrekk'lik gaat, Naar beeter traght, hoe wel hy 't niet kan krijgen, En and'ren ook tot sijn begeerte raat, Wert wel gehaat, maar niet van God, door 't swijgen. Daarom hoe 't loopt; of elk my haat, en vloekt, Ik wil mijn haat Verlooven, en niet treuren. Mijn dight-lust, die, de beste voorgangh soekt, Sal Vaster staan, en al wat mank gaat steuren.

Rixtel.

Antwoort.

Nooyt is een schaduw', of, een lichaam is daar by. Nooyt is een meningh, of de Meender weet, dat hy Gegrontvest is, sulks was, sulks is, sulks kan gebeuren, Maar door te sellen haat, of sotte min, verscheuren

Sijn Reden, redenloos. Door Phaētontis spoor Rold hy besweet, begruyst. Daar klinkt wat in sijn oor! d'Antipodes verbaest om Jovis by stand krijten. Ach! Amphitrite rugh drooght op. Ops siet versplijten Saturni vruchtbaar veld. Ach! Cybele nu treurt, Om dat haar middel-rif werd ysselik verscheurt. Sy berst, sy rijd, sy splijt! sy quijnt, sy sterft door 't branden. Aen 's weerelds ander kreyts de krimpers klapper-tanden. Suft nu dijn blixem-ster, ô! groote Jupiter? Die Wagenaer ment dul! ey! slinger hem om ver. Hy beutel dat hy quat. Best een, als veel verlooren. Komt oyt een Vader u dus sinneloos te vooren, Dat hy sijn paden mist gelijk als Phoebi Soon, Smeek deese los-kop niet. Ga tot een hooger Troon. Charybdis, Scylla, sal u met de Sicilianen Van quaad tot erger u te schuwen wel vermanen. Wijck Pholci Dochter vry, sy schuym-beckt, bast, en bijt: Sy op haar neck en schoft, u na Charybdis smijt. Charybdis kaatst u om. Gy tuymelt in de vloeden. Haar Honden pimpel-paars, die huylen op dat woeden. Gy stickt, geeft gy het op? O kinderlijke man! Roep, (die, die dulheyt toomt) nu snel om bystand an, Geen Vader, Heer, of Vorst, men ooyt te hoogh moet eeren. Komt onse hooger macht wat quaads op ons begeeren, Smelt hy uw' eer, of goed, verschroeft in vreese Gods, Ga dan tot hooger macht. Die sal gelijk een Rots, De weeke tuymel-vloed haer rollen wel afkaetsen, Dats u, en Vader nut. Soo komt de Deught ter plaetsen, Daar sy behoord te zijn. Soo sterft het ongelijck. Soo bloeyt een Huys, een Stad, een Land, een Koninghrijck: Maar door te bot, of nesch, verderven Landen, Lieden, Om dat niet haastigh hier goe oordeelen geschieden.

J.P. Beeldthouwer.

Antwoort.

't IS best, de eerste brand, des toorens te ontvliede, Door waan te vlug ontfonkt, want 't bloed geraakt aan 't siede, Drijft heete dampen op naar booven in het hoofd, Daar sy het malend' breyn van reed'likheyd beroofd. Met een onreed'lik mensch, en is geen raad te plegen: Want hy is niet bequaam om yetwes t' overwegen. Al blijkt de onschuld klaar, daar helpt geen seggen aan, De haat, door waan, is Voogd, so waant t'onschuld, verraân.

Wilt gy op staande voet, de haat, door reên verkragte? 't Is nut, het lighaam heeft een mes, of stok te wagte. Best; houd u aan een kant, beveelt' et aan de tijt, En toond, door tusschenspraak, dat gy onschuldig zijt, Of kan de tusschenspraak, of tijd, de haat niet dempe? Wagt u, op Ouderen te smalen of te schempe, Maar buyg u neêr voor God ootmoedig op uw kniên, En bid hem, 't is sijn wil, dat het togh mag geschiên. Dat hy u weêr versoen met d'Ouders in dit leven, Soo niet, dat hy'er wil het mis-verstand vergeven. Dat hy haar blintheyd niet met meerder blintheyd slaâ, Maar dat hy haar bestraal, met zegen en genaâ. Schoon dat de haat op u soo fel gelijk de Hel,, brand, Gy hebt u pligt voldaan tot ziel en lichaams wel-stand.

F. Verloo.

Constantia in Foelix.

Eer-Versen Aan den Kunst-en-Geest-rijken Rijm-dichter Jacob Steen-dam.

Over sijn voortreffelijke en wel-gestelde Antwoord op de zelve Vraag. Tot dankbaarheyt toe-gepast.

NOg vaster is uw' woord, nogh vaster zijn uw' digten, Nog vaster is de zin, die ghy tot antwoord geeft, Ghy weet u kunstig rijm, zoo na de kunst te stigten, Dat zelf Minervâs kunst door uwe verzen leeft, Wijl dat uw geestig werk, verbeeld uw dapp're kennis, Het wijs vernuft des Mans, is eeven als sijn pen,, is.

Mijn ziel die nimmer zogt, of haat, of nijd te voeden, Veel min (God ken mijn hart) aan d'Ouders Reeden gaf,Verstaat zoodanige reeden om een onverzettelijken haat te verwekken. Beschouwd de hoogmoed aan, en 't opgeblaazen woeden, Van een u wel bekend, die my hier schilderd af, Als dat ik hem benyd, en 't zijn versierde zaaken, De nijd soekt met haar vuyl, een ander vuyl te maaken.

Vergunme dan dat ik in 't kort, voor u verdeedig. Mijn Regt, op dat men zie sijn inge-beelden waan. Ik die met yeder mensch, zoek stil, gerust, en vreedig Te leeven; dulde graag, sijn laster-tong, en smaân, En denk hy moet zigh zelf, of my, of and're schenden, Een war-ziek mensch, die kan 't op alle boegen wenden.

Nooyd heb ik my getoond, aan hem, of and're nijdig, Nogh in, nogh uytterlik, zoo veel my is bekend, Alleyd hy 't my ten last, sijn reeden zelfs zijn strijdig, En dubbel-hartig, die hy tot sijn voordeel wend, Zoo hold sijn hollend paard; naa eygen wil, én wenschen, Was 't liegen daag'liks brood, spijsde duyzend menschen.

Ik haat niet sijn persoon, maar! haat sijn haatig haaten,Rixtel in sijn antwoord, Reegel 37. Dit zijn, sijn eygen reên; 't is meesterlik gezeyd, Mijn ongesleepe tong, weet geen Latijn te praaten, 't Geen 't ongeleerde volk ligt in een dool-hof leyd, Maar spreekt mijn Moeder-taal, die in sijn zin bevlekt,, is, Elk Voogel zingt sijn zang, en taal, naa hy gebekt,, is.

Heel anders is 't met u, ô Steen-dam, die uw stelling, Steld met oprechtigheyd, en zonder togten; want Indien uw hart, en ziel ging zwanger met die qwelling, Gy schreeft, gelijk hy schrijft. Sijn pen verbeeld de stand; Van sijn inwendigheyd: dit doet hem dan dus spreeken, Die vol gebreeken is, ziet alle-mans gebreeken.

Maar dogh! uw geest, en pen, qwam geestig uyt te beelden De Kinderlike pligt, als ook der Oud'ren wet, Wanneer uw antwoord dan my eerst voor d'oogen speelden, Zoo wierd mijn geest ontroerd, en stond als heel verzet, Wijl dat een middel-padt, getoond wierd door uw Reeden, Die onpartijdig spreekt, spreekt met bescheydendheeden.

Zoo word u dan de prijs, voor deez' tijd, toegeschreeven, Ontfang dit kleen geschenk, als tot een zeeker merk, Van mijne dankbaarheyd; wijl dat men u ziet streeven Op 't nieuw Parnas aan 't Y, beneffens 't kunstig werk Van and're Geesten, die de Poëzy beminnen, Men bouwd dan Helikon, best door gesleepe zinnen.

Ik roem dan Steen-dams werk, en vander Laan, sijn zagtheyd, Die hy in 't rijmen heeft, en ook de Eed'le Geest Verhoek, die verz, voor verz, met zulk een sterken kragt, zeyd, Midts hy sijn verzen schoeyd, op een byzond're Leest. Gelijk als Bruno doet, de Fenix binnen Hoeren, Uyt schrand're harssens, word de wijs heyd zelf gebooren.

Ook liev' ik Rixtels kunst, sijn scharp gesleepen veeder, Is gansch doorluchtigh gaauw; wanneer sijn kloek verstand, Die wel gebruyken wil. Maar dogh! hy is heel teeder: Wijl dat hy ligt'lik blaast tot dat'et twist-vuur brand, Daar 't eerstmaal vreedig was; dogh: 't zal nogh wel verkeeren, De tijd, kan 't wijze breyn, nogh wijzer wijs heyt leeren.

Al lang genoeg geteemdDit zeyde Rixtel tegen my als ik hem efvergde het bewijs dat ik hem benijde., sey Rixtel; 't is de waarheyd, Ik dank u Steen-dam; wijl gy hebt mijn vraag voldaan, Ik wensch Apollo met sijn al-doorstraalb're klaarheyd, U lang beschijnen mag, en fiere Lauwerblaên, Wil vlegten om uw hooft, in spijt van die 't benijden, De nijd wil (in 't gemeen) eens anders eér bestrijden.

Elk speelt zijn Rol.

Karel Ver Loove.

Aan Jakob Steendam,

Op de XII. Vraag.

EEn ander scheld, en smaad uyt nijd en spijt, met laster, De prijs komt Steen-dam toe; want wat een ander zeidt, Dat stelt hy, lid voor lid, op goede grond noch vaster, Dan sijne hater doet, door waan te licht verleidt.

Jan Zoet Amsterdammer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove