Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Toon: Malo mori, quam occultare rerum.

1. WIe onbenijt, vol-deugdig voor Gods oogh, Op aard' een schat, die noyt versterft, naar 't leven, Begeert, en soekt, raakt nimmermeer soo hoogh, Ten zy hy 't hart, sijn toghten heeft ontdreven. Hy die dit vraaght, hoe 't haten is t'ontgaan, Benijd my selfs; want 't is de Dighters eygen, Dat sy, uyt haat, die in haar vaarsen raan, Met laster-schrift, in 't light of heymlik dreigen. Maar 't zy, wie 't zy, wiens haetsught op mijn woelt; (Want veel' aan 't oogh, alleen mijn vrienden schijnen) Die weete, dat mijn hart geen lijdingh voelt, En ik niet haat, dat hy sich selfs gaat pijnen. Is ook mijn Sang vol feylen, naar de konst; Hy toonze, ik sal sijn onderwijsingen prijsen. Veracht hy 't al uyt haat; ick aght het gonst, En soek 't gebrek, dat hy me haat te wijsen. Wie siet, en weet, dat hy gebrekk'lik gaat, Naar beeter traght, hoe wel hy 't niet kan krijgen, En and'ren ook tot sijn begeerte raat, Wert wel gehaat, maar niet van God, door 't swijgen. Daarom hoe 't loopt; of elk my haat, en vloekt, Ik wil mijn haat Verlooven, en niet treuren. Mijn dight-lust, die, de beste voorgangh soekt, Sal Vaster staan, en al wat mank gaat steuren.

Rixtel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.