Antwoordt.
Toon: O Heer! aanziet doch, &c.
HEt Oog,
Van God, gestelt om hoog,
Om te aanschouwen,
Daar wy op bouwen,
Speelt vaak op ydelheid,
En heeft de wijst verleid,
Door lust tot Vrouwen.
Het Oog,
Den eersten mensch, bedroog,
Die, door de loogen,
En 't oog, bedroogen,
Beet in de schoone vrucht,
En bragt zich tot de vlucht,
Door 't spel der oogen,
Het Oog,
Daar het gezichte uyt vloog,
Door heldre straalen,
Dat heeft doen dwaalen
David, als hy, tot moordt,
En overspel bekoort,
Raakte in veel quaalen.
Het Oog,
De wijste 't harte boog
Van God te keeren,
't Welk ons moet leeren,
Het oog altijd te slaan
Van al dat ons mag schaên,
Quetsen of deeren.
Op dat
Wy niet, van 't rechte pad,
Licht dwaalen moogen,
Door 't spel der oogen:
Maar blijven wel bereid,
Op 't pad der zaligheid,
Door God getoogen.
Leeft vrolijk.