Antwoord.
OP een geteerde huyd kan nat noch water hechten, Het reegent daer wel op, doch loopter tapp'lings af; De Peeckel is wel sout, maer by het Sout selfs laf. Een Mier kan op een Raef, niet winnen noch verrechten. Indien 't onnoosel Schaep wil met den Luypaert vechten, Soo wordt des Luy paerts balg hem daetlijck tot een graf, Sijn tant verscheurt hem strax, sijn maeg koockt hem tot draf. Daer Heeren zijn vergaert, daer geldt geen woordt der Knechten. Een tandeloose Beer, die aen een keeten lijdt, Die heeft geen macht, dat hy de gangers quest of bijdt. De Muys kan wel op 't Hout, maer niet op 't yser knab'len. De Hondt bijt op de steen sijn eygen tanden quijt. De Moor te wassen is niet dan versleeten tijdt. Geen Mensch en kan de Zee doen houden op van kablen.
Soo ook een oprecht Man, sal, door 't geduyrig kijven, Van 't eer-vergeeten VVijf, niet werden sinneloos: (Een goet en opregt Man werdt door geen schelden boos) Maer volgen Kristus nae, in altijdt goedt te blijven. God sal hem met sijn kracht verstercken en verstijven, Hy sal hem proncken doen; gelijck een Purpre Roos, Die altijdt houdt sijn kleur, en nooit verliest sijn bloos; Godts minste kracht is meer als al de kracht der Wijven;
God is d' opregte Man, een burgt, kasteel, en slot, Een bijl die 's Vyandts macht tót aen de wortel knot; Hier uyt kan ick alsdan my dunckt 't voorgaende toonen, Indien ick anders sey; ick dreef met Godt de spot: Want wat gelijckenis heeft Belial by Godt. Het goedt kan niet by 't quaet, noch 't quaet by 't goede woonen.
Cookies on Poetry Cove