Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Toe-sang.

O Hoovaardy! woonachtig in het vleesch, Dat sonde heet; men kan u licht bekennen; Als gy uw'tong, uw'leden komt gewennen, Ver boven peyl, dan schreeuwt gy u gans hees. Dussprak een Man: dit heb ik uyt geleyt! Geen mensch quam oyt die saak voor my te seggen. Voor duysent jaar quam 't Socrates uyt leggen. Is dit dan niet hoovaardig stout geseyt? Die schrijft een boek, dat hy moet eeuwiglik Verlooren zijn, en Godes aanschijn derven; Soo buyten haar kan yemand salig sterven. O Hoovaardy! hier doet gy groote blijk! Daar komter een, eenvoudig in't gewaat, Benaudelik sijn woorden uyt te steenen: Dat Godes Geest hem waarlijk is verscheenen. Dat drijft hy met een pijnelijk gelaat. Ia! hy vervloekt, wie dat hem tegen spreekt. Ogh! sulk een Geest spreekt d'eerste segger tegen. Gods reyne Geest kant Godes Geest niet tegen. Haar botheyt, ja, haar Hoovaardy uyt breekt.

J.P. Beeldthouwer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove