Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

TErwijl ik in de schuyt, las Cebes Tafereel, Quam een aansienlijk Man, mijn bladeren bekijcken: En vondt, hoe den Thebaan het konstigste penseel, Met sijn geleerde pen, in 't minst niet had te wijcken. d'Eerwaarde Reysgesel heeft my in huys onthaalt. Hier sagh mijn oogh een stuk (door konst verrukt van sinnen) Als eer Apelles, die Jalysus, sagh gemaaldt: Door Protegeen, volbracht na seven Jaars beginnen. Reysbroeder, sprak hy soo mijn oordeel niet en mist: Mindt ghy de Schilderkonst en 't byzijn der Poëten. O ja! seer hoogh seyd' ick, ghy hebt u niet vergist. Ik wenschste wel 't verstandt dees schildery te weeten; En wat die Preutsche Vrouw in vreemd gewaet bediet, Met Myters, roode Hoed, Cassufelen, en Stoolen; Die men gins in den hoop, van al die beelden siet; En soo het schijnt, by 't ligt, der Wassekaars te doolen: Wijl sy 't vermolst gebeent, der doode lijken saemdt. Dees Vrouw in 't roodt gemaalt, met drie verwaeten kroonen, Is Teyd hy 't by-geloof, gans sot, en onbeschaemdt. Sy quam, uyt 't Heydendom, in 't Christenrijk te woonen.

Daar stelt sy nogh, als eer, den Huys-godt in den haerdt; Haar boeken die ghy siet, zijn liegende Legenden; Sy teelde nieuw gewoonte, en schreef de doôn in d'aerde Een eer in plaats van Godt; en wou, waar sy haar wende, Op peen van swaardt, en strop, geacht zijn en ontsien. Haar yver brandt, gelijk de waskaars in haar handen, Sy meent Godsdienstelijck, aan Godt sijn eer te bien. Gelijk Schijnheyligheyt haar Suster, de verstanden, Door haar geveynsde mom ellendelijk verleydt. Dees heeft haar Wollifs huyt bedekt met schaape vellen, Sy toont gelatenheydt, van boete, wijl sy schreydt; Maar let, hoe slecht sy 't kleedt en weesen komt te stellen, Soo heeft Vermetelheydt, by haar de hooger handt, Dees dempt Godts eer, en wil haar eygen doen verheffen: En pronkt met vrye wil, en werk, wijl sy haar kant, Met Godts genade, en kan hardnekkig niet beseffen, Dat Christi bloet voor ons volkoomentlijk voldoet. De schaer seyde ick die int verschiet volght veelerhanden Dees Vrouwen, wien zijn sy, wat is het voor een stoet? Al blinde doolingen en plompe misverstanden. Maar dese, die ghy hier aandachtigh sitten siet In blinkend wit gewaat, omkranst met Louwerbladen; Op desen vasten hoek, en grontsteen: dit bediet 't Geloove, d'oude wet, 't verbont van Godts genaden, Verstrekken beyden haar een rustleun, voor haar handt. 't Geloof kan Duyvel, Vlees, en Weerelt overwinnen. De Hoeksteen, die verbeelt ons Christo, vast van standt. Ghy sult de Slangh verplet, doots pijl verbroocken vinnen: Soo ghy naukeurelijk het alles wel besiet. Maar lees het opschrift self, hier onder aan geschreeven, Dus sprak hy, en ik las: door waar geloof geniet Men Christum, sijn weldaad, en Geest, en eeuwig leeven. Door het geloof verkrijgt den mensch hier 't hoogste lot, En dit is 't middel, 't geen hem maakt een Vriend van God.

P. Verhoek.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.