Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

DE grootste Hoovaardy, dat is na't hooge vaardig: Haar handel, wandel, doen, en poogen, is na't hoog, Na eer, na naam, na stam, na alles wat hier waardig, En heerlik is: sie daar een Visser vest sijn oog, Op kroon, op troon, en wil of Vorst, of lijfloos weesen, Van alle siekt en kan men staatsiekt niet geneesen.

Ik noemse't teegendeel van ootmoet, van verdragen, Van ware liefd' en vreê, maar vrind' van eygen baat, Als een Narcissus schept sy in haar self behagen, Sy bid nooyt, maar gebied, sy sught nooyt als na staat, Sy leert van niemant yet, s'is't wijste kint van allen. Wie klimt op 't hoogste top is ree om laagst te vallen.

Ten Hemel isse uyt haar eer en troon verstooten, En 't schijnt haar eer en troon viel op de aarde neer, Daar bouts'' er Tempelen, en word van kleyn en grooten Ge-eerd, begeerd, ontsien gelijk een Opper-heer, En God, dan heerscht gewelt, met blok en bijl vermeetel, Sit Hoovaard' booven aan, de Droes krijgt meê een zeetel.

De naam van Hoovaardy, die souse liefst bedekken, Dus gaatse meest vermomt, in die of deesen schijn, Hier steektser in de kap, daar schuylts' haar Luypaarts vlekken, In 't neederige kleet, gins salse een Raatsheer zijn, Of stoft op Tabbaarts regt, die reght in onreght warren, De Hoovaart speelt haar rol, als Jan Potages narren.

De eed'le Poêzy, dien hoogen trap der wijs heyd, Hoe hoog klimt die niet wel den berg van hoogmoed op? Dit kleed is haar niet niew, maar 't tart de grijse grijs heyd, Soo out is't in gebruyk, hier sitse al moe ten top, Vleght anderen een krans, om haar mee te vercieren, Geeft sy een Roosen hoet, sy hoopt weêr op Laurieren.

Daar spreekt een Redenaar, juyst doet hem hoogmoed spreeken, Sy vint de wijs heyt uyt, sy prikkelt hem het bloet, Hier hoorje een deftig man de deugd van ootmoed preeken, En alsje't wel besiet, de yd'le glory doet Hem in sijn eygen vuyl, van eersugt gans versmooren, Men kent den Ezel best, aan 't roeren van sijn ooren.

Dit doet de hoogwaan om van elk geagt te worden, Dit is die lekkerny, die 't vleesch soo lieflik smaakt, Hier leeft, hier streeft sy na, en soekt maar in de orden, Haar te verbergen; dat's een saak, die 't harte raakt, Hier liegt, bedriegt sy om, en speelt geveynsd den loosen, Voor goud, in 't hart fenijn, gelijk d'Apteekers doosen.

't Gevolg is gierigheyt, die wort uyt haar gebooren, Nogh die en raakt haar niet, een Gierigaart is vrek, En Hoovaardy is duur, van scha magh sy niet hooren, Sy brouwt bier, en lijt dorst, bakt brood, en lijd gebrek, Die Man en is niet groots, dees vraag kan hem niet hind'ren, Hy doet, maar baartse eerst in Kind'ren en Kinds Kind'ren.

Maar d'alderslegste zoort, dat zijn die opgeblaasen, Verwaande Sotten, die met arme Hoovaardy Beseeten zijn, die sin en herssenloose dwaasen, Sy snorken trots en groots, en toonen't aansicht bly Voor 't volk, en t'huys en is geen geld nogh brood voor handen, Rijt Hoovaardye voor, haar volgt of schaa of schanden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove