Gesang.
1.
GElukkig is 't gemoet,
Waar in de deugden wonen;
Ik schat het meerder goet,
Dan Vorstelijke kronen.
2.
Wat troost het ymands ziel,
Die 't sterven ziet voor handen,
En voelt sijn levens ziel,
Aan Laethaas oever stranden.
3.
Dan hoopt hy op den loon,
De deugt, voor lang beschooren,
Op 's Hemels vreugde-kroon,
Als Godes uytverkooren.
Lieft standt vastigh.