Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Sang, op de selfde stoffe.

Stem: Als 't begint.

1. WIe sijn Plicht, an de Ouders doet, Sal God zeeg'nen met overvloed: In al sijn bedrijf: Na de ziel, en na het lijf: An goed, an Kind, en Wijf: Hier op der aarden. Want so toond hy sijn dankbaarheyd. Die hem, voort tot een hooger leyd: Dat is tot sijn God. Na het eenigste-gebod: Als aller deugden-slot: Om an te vaarden. Val. Max. lib. 5. cap. 4. Prob. in 'tleven Just. 2. O Pero, stof geeft gy tot lof. O Cimon, wat is uwen schat? U, broeders eer, is noch veel meer, Van waarden. Herod. 1. Gel. 5. c. 5. O Cress Soon, wel waard de kroon, En gulde staf uws Vaders. gaf U niet natuur, een brandent vuur, Voor swaarden?

Noch veel heftiger, is de Gloedt In het Moederlijk teêr-gemoed.Jesa. 49.15. Psal. 103.13. En in 's Vaders hart: Dat de alder-wreedste smart, Ja dwingelanden tart: Om te behoeden s' Lichaams vrucht: d'eygen zuygeling: Als 't de noodt, of't gevaar om-ving. Geen kracht, noch geweld, Daar het sich, niet tegen steld, In Kerkers, en op 't Veld. Het doet haar woeden Op al de geen, die dat vertreên. O Rachel, gy vertoond ons, vryJer. 31.15. Matth. 2.15. U liefdens kracht (schoon in on-macht) Ten bloede. U bang gesucht door-dringd de lucht. U stemme hoord men, voort en voort: Tot schand, en smaadt, voor die, haar zaad Niet voeden. Boven al, klimt de Huw'lyks-plicht. Want haar fakkel, verdoofd het licht, De heldere glans Van Apollos gulde krans. Sy leyd sijn Rey, ten dans: Met wijde schreden. d'Echte-Liefd, en haar kuysse-min Heeft een heel on-versetbaar-sin, Die staat: en noyt wijkt. Die zeylende, nimmer strijkt. Bemind, bewald, bedijkt Met vaste Reden: Gevest, gegrond op het verbond In d'opper-wet, haar voor geset. En met den Eedt van trou, bekleedt: Tot heden. Dit stuurd de kiel, dit bind de ziel: Dit mengt het bloed: dit strengt 't gemoet Van Vrou, en Man, dat niemand kan Ontleden. So een Man, Moeder, Vrou, en Kind, Tot de doodt, dan veroordeeld vind: En 't vermogen heeft, Een (die hy de vry-spraak geeft)

Te redden: dat se leefd? Hy sal beschermen d'Eygen-Vrou: sijn verkooren deel. Buyten wien, 't onvolmaakt geheel Niet wel kan bestaan. Waar mee, dat hy heeft gelâan Een last: in 's werelds-baan. En sich ontfermen Sijn vleesch, en been. 't is haar gemeen En hart; en bloed: en eer, en goed: En schijn, en deugd, verdriet, en vreugd In d'armen. Door Liefd geneygd: door Wet gedreygd: Door d'Eedt gestijft. die eeuwig blijft: Self in't gevaar. een Vuur dat haar Kan wermen. Want hy moet na Gods woord, en last, (Om 't Wijf) d'Ouders af-gaan. en vast An-hangen, sijn helft: Daar hy sich, mee heeft ontselft. Sijn vryheydt over-welft: In doodt, en leven. Niemand heeft oyt sijn vleesch gehaat. 't Geen hy ook nimmermeer verlaat; Dit gaat dan voor al: In het droevigste Geval. De boom van Echt staat pal, Om vrucht te geven. Api. lib. 2: Burg. Oorl. Vellius Plut. Val. lib. 4. cap. 6 O Julia! wie volgd u na? O Cesars kroost, Pompeus troost: Geweldig, word u ziel gestort. Gedreven Alleen door d'Echt: die steên bevecht, En over-wind. gy kend noch Kind, Noch Ouders. Trou zijt gy, ô! Vrou Gebleeven.

Genes. 2.24. Daarom sal de Man sijnen Vader, en sijne Moeder verlaten, ende sijnen Wijve aankleeven. Jacob Steen-dam.

Noch vaster.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Parnassus aan 't IJ · Jan Zoet · Poetry Cove