Antwoord.
DE Hoovaardy na 't Hof, verbessing, of verbooging,Hoovaardy. Of hoogheyts-vaardigheyt genoemd: in duydsche spraak:De naam. Is een beweeging, en vermeetele be-ooging Van 't menschelik gemoed: tot eenig ding, of saak, Daar hy geen eygendom an heeft: nogh an kan krijgen.De daad. Een opgeblasentheyt, die wijken kan, noch swijgen.
De eygenschappen van de Hoovaardy, zijn meenig,Eygenschappen. Waar van men drie bespeurd in d'alderfchoonste schijn: Die zijn in 't voor-werp, maar in 't onder-werp niet eenig: Schoon, dat s'in d'oorsaak, en haar eynd, ver-eenigd zijn. Die zijn laatdunken, en eergierig, en vermeeten In al haar daden; en ook soo by 't volk geheeten.
Diens werking. Laat dunkent heyt, sal sich in alle-ding verheffen, Om booven andere te gaan, in 't geense doet. Sy voed wangunst, en nijd, als Reckels, die steeds keffen, Onderwerp. Op yder, diese dogh in welstand dulden moet. Het zy, of onderhaar, of booven haar verheeven: Of in gelijken stand met haar; in tijd, en leeven. Vermeetelheyt, sal sich (te wonderlik) beroemen, Van 't geense gansch niet heeft; veel min de schijn daar van, 't Zy goed, of konst, of deugd, of wat men meer kan noemen, Diens werking. Dat in de weereld, maar een lof bereyken kan. Geveynstheyt, huychchely, bedroch, en waan te, samen, Onderwerp. Zijn haar Jacht-honden, doch vercierd met and're namen. d' Eergierigheyt, besit de goed'ren van een ander: En eygendse sich self: ja soekt daar van de eer. Diens werking. Kerk-roof, Af-godery, en diefstal (met malkander) Heeft sy tot Brakken. Want die gaan dat wild te keer. Onderwerp. Sy sal den Schepper; noch de schepselen verschoonen. Sy sal den Eygenaar, en Leen-heer durven hoonen. Heerschappy. Dus is de Hoovaardy gesteld, door d'eygenschappen. Daar alle menschen (in 't gemeen) zijn mee besmet: Doch meer, en min: en in verscheydenheyt, en trappen, Na dat men op sich self, en op den Schepper let. Maar, wie een losse Toom geeft an haar trotse driften, Vervald: en word gedoemd, van al d'onfeylb're schriften. Geslacht of Afkomst. Sy is een Dochter van den Duyvel: eerst gebooren: Haar Moeder was on-kun: haar Voedster valsche waan: Door haar is 't laagste, en het hoogste goed verlooren. Vruchten. Door haar is Dwinglandy gesteygerd; en vergaan: Sy is een Kanker, Pest, en Mot der deugd bevonden. Een Moeder, Wortel, en 't begin van alle sonden. Merkteken. Het Merk, waar an men haar, en haar geslacht, kan kennen, Veynsing. Is dikwils soo bekleed, ook self met need'righeyt, Of met schijnheyligheyt: dat d'alder-gauste pennen, Haar kennis duyster schijnd, hoe klaarse open leyd. Kenst. Want, met dien moyen-Rok weet sy sich fray te dekken: Ja, neffens haar, ter schuyl verbergen, duysend vlekken. Doch om hier, met een woord, die sake an te roeren: Klaar teken. Men kend de boom, wanneer men Blad en Vruchten siet. 't Gesicht, 't gelaat, en praat, en 't kleed ontdekt de Hoeren. En in haar werking word de Hoovaardy bespied. Een leedig vat, sal meer Gerucht (als volle) uyten. Een, die hooyaardig is, sal meest sich self loftuyten.
1. Pet. 5.5. Jac. 4.6. God wederstaat de Hoovaardige, maar de Nederige geeft by genade.
Cookies on Poetry Cove