Skip to content
1663

Parnassus aan 't IJ

Jan Zoet

Antwoord.

ALs my den Dollephijn, van d' Amstelsrijke-stroomen Gevoert hadd', over 't Y, en vlakke zuyder-zee; Voor-by de Lauwers, en gelukkig was gekoomen (Langs Vries, en Ameland) op d' Eems, en Embdens ree. Doen seegh de konst in slaap: mijn Sangheldin an 't droomen: Doen wierd mijn Geest, de Geest en aartigheyt benoomen.

Schoon my, het Vorsten-hof, en 't Yler-bosch vermaakte: (Wijl ik 't gedierte, daar, als in Niuuw-nêerland, sach:) Ik vond geen geur, geen reuk, die doe mijn Dichtkonst smaakte: 't Scheen, of sy, in d'onlust geheel bedooven lach. Geen wakk're-wakkerheyt, my in de boesem waakte: Geen heymelijke-drift (als eertyds) 't harte raakte.

Of ik, wel, 't vloeyend breyn, de leevendige woorden Van d'eedele Penon (vol sin, en waarheyts kracht) Gelijk een Gods-spraak, self met lust, en graagte hoorden, Als hy de Liefde ons beschreef, in haar geslacht: 't Was, of d'Oost-friesche-twist, 't gevolg, van 't voorstel stoorden: En in de modder-poel van wangonst, die versmoorden.

Maar, doen ik van de Eems, en Dullert, was gescheyden: Voor by de woeste Ja, de Wezzer, en de Elf: En op de Eyder dreef: diens klaver-rijke weyden Verquikten my 't gemoed: en bracht dat tot sich self, Hier was het, of de konst my op 't Parnassus leyden: En tot haar silv're-bron, een Ruyme-wech bereyden.

Ik sach het lommer, van de schaduw-rijke boomen, Ik sach de vruchtbaarheyt, van 't weelig Eyderstee: Haar veld met 't geyle-gras begroeyd: de vochte Soomen, Met Ried besett': het Graan, het Ooft, en 't dart'le Vee: Ik sach de vette-melk, met dubbel-woeker Roomen: Doen wierd ik, in den Geest, geheel als op-genoomen.

En roemde by my felf, d'oorspronkelijke goedheyt; Die, an den armen mensch, sijn liefde steeds betoond: Sijn vaderlijke gonst, met innerlijke soetheyt Doet smaken an de ziel, die d'aardsche-hut bewoond. Dies, trad ik tot de Vraag, van Liefdens deugd, of vroedheyt: Van Tooren: en hoe sy den mensche in 't gemoed, leyd.

Doch geensins om de Prys. Mijn voorwerp, en beoogen Was Waarheyt, in de Konst: die eeuwig sal bestaan. De Liefd' tot Waarheyt, heeft een goddelijk vermogen Om, wat daar tegen-strijd, te stutten, en te schaân. Die waarheyt liefd, wort noyt door waan geheel bedroogen; Hy heeft altijd de prijs, by haters van de loogen.

De eyndeloose Geest, die eeuwig is te roemen. Die van sich self Bestaat: genoegsaam, na sijn wensch. Die wy in duydsche spraak God, (om sijn goetheyd noemen: Schiep, wat geschapen is, uyt Liefde tot den mensch. Hy is de Liefde self: dit kan men niet verbloemen:1. Ioan. 4.5.16. Hy sal, wat Liefdeloos bevonden wort, verdoemen.

't Self weesend weesen, heeft d'ondeelb're eygenschappen; d'Almacht, d'al-weetenheyt, de onveranderdheyt d'Al-omheyt (die haar kracht toond, in verscheyde trappen) En ook d'on-eyndigheyt) geen schepsel toe-geseyd. Maar, d'eygenschappen (die hy ons leerd na te stappen) En in de daad bestaan: niet in een cieflijk klappen:

Als goedheyt, wijs heyt, en gerechtigheyt, en waarheyt, Barmhertigheyt, en Liefd: zijn deelbaar (na haar maat) En t'saam geschakeld, als een keeten, die haar swaarheyt, Uyt al de leeden heeft: en anders niet bestaat. Schijnd goed, en wijs, en recht; en derft het licht, de klaarheyt1. Ioan. 2.9.10. Van waare Liefd; gy dwaald noch in een duyst're naarheyt.

Men geeft die naam an min; an wellust, an onkuysheyt, An gierigheyt, begeertt', en lust tot 's weerelds goed, An driften, die den waan van 't reedenloos gespuys,, vleyd, An buyk-zorg, die sich self alleen, en dartel voed, An eygen troeteling, die sich van Christi kruys scheyd, In 't kort: an al het geen den mensch de sonde t'huys leyd.

Maar, dits de Liefde niet. 't Is eygendlijk, 't begeeren Van eygen nut: door waan, of weeten uytgekeurd. Dat steeds sich selve-soekt: en moet sich self verteeren. Dat d'ongerechtigheit om-helsd: en ook betreurd, Dat ongestadig is: en haastig kan verkeeren. Als 't sondig voor-werp feyld, en sy dat moet ontbeeren.

De Liefde word ons met een beeter Pen, beschreeven.Beschrijvinge van Liefde. 1. Cor. 13.4. Prov. 1c. 12. Gal. 5.22. 1. Pet. 4.8. 1. Ioan. 4.15. Sy heeft haar oorsprong, uit een goddelijke-bron. Sy staat en blijft, in dit, en in het ander Leeven. Sy is 't Geloof, en Hoop, een Ziel, een Oogh, een Son. Sy word door eygen baat, of nut, niet angedreeven. Sy is gewillig (niet t'ontfangen) maar te geeven.

1. Ioan. 4.17. Sy is langmoedig, trou, goed-gonstig, goedertieren, Verdraagsaam, wel geschikt, op-recht, en sonder haat. 1. Cor. 8.1. Sy over-wind de Dood, en helsche monster-dieren: Om datse eeuwig gloeyd, en nimmermeer vergaat. Sy is het recht-snoer, van de zeeden en mannieren Ioan. 13.35. Der Christ'nen, en het hoofd, van alle haar bannieren.

1. Ioan. 3.11. Sy is de Wortel, en het Zaad van alle deugden. Sy is 't beginsel, en het eynde van de Wet. Sy is, en 't pit, en 't merg, en 't sap van alle vreugden: Sy is de Saus, en 't Sout: sy houd die onbesmet. Sy is een Nectar, die 't gemoed alleen verheugden: De geesten van de ziel (als Adelaars) verjeugden.

Sy is gansch onverdeeld, en deeld haar milde giften, An die behoeftig is: ook die geen onheil heeft. Sy is, een Moeder van barmhertigheyt haar driften Zijn werkelik, en vast: in 't geense doet, en geeft. Sy is een Grondslach, van de goddelijke-schriften. Sy weet de valscheyt, van de waarheyt af te schiften.

Ioan. 5.1. Sy is het wesen van de Gods-dienst en haar werking Mikt op dat oog-wit, schoon dat sy sich elders wend. Sy heeft (in watse doet) een heemelsche bemerking: Waar doorse (klaarlijk) word van schijn-liefd onder-kend. Sy is (als Amber) voor den flauwen een versterking. Sy is den Duivel, een bepaling, en beperking.

Sy stut hem in sijn loop: sy temd, en toomd, en teugeld Sijn werk-tuyg. en sy maakt hem schaam-rood, ja beschaamd. Sy houd de tochten, als gekneld, geboeyd, gebeugeld. Sy lijd verdrukking: en sy doet wat haar betaamd. Sy is altyd een Deugd. Sy is altijd gevleugeld Met hoope, en geloof, verr' boven 't vlugg' geveugeld.

Wy spreeken van de Liefd, met waarheyt so geheeten. Die in het hart, en ziel van ware-Christ'nen woond. Niet van een yd'le-roem slechts op de tong geseeten, Daar onder des, den haat, een bitt're-boesem toond: Op God, en op Gods volk, en Gods-dienst, bits gebeeten. Op eygen krachten, trots, laat-dunkend, en vermeeten.

Neen: dat 's maar schijn, en waan: een wind, een droom bevonde, Wanneer het op de toets gesteld word, en gedoemd. Geen huys der Liefde (dat uit Liefde tot de Sonde, Die vryheit geeft, en op een vreemd vergoden roemd) Kend Liefdens werking. Maar een wellust, ongebonden En toomeloos: waar door Gods eere word geschonden.

Gelijk de Liefde, is een innerlijk beweegen Des menschen, die het hart, en ziele, en 't verstand, Tot God, en om Gods wil, maakt tot den mensch geneegen: Daar sy, tot voor-werp heeft de Deugd, haar in geplant: Soo is de Tooren, een ontsteldheyt: die hier teegen, 't Gemoed beroerd. door 't leed, of ongelijk verkreegen.

't Zy dat men reeden heeft: of enkel schijn van reeden. De Tooren, gaat sijn gang: en yverd, tot de wraak. En poogd (schoon buyten recht) in 't Rechters ampt te treeden: In-dien geen sachte tong, verhinderd dese saak. Dies, is sy veeltijds sond; en broed veel sondigheden, Ja boose daden uyt. als vyand van de zeeden.

Soo was de Toornigheyd van Kaim, op sijn Broeder,Gen. 4.5. Een boosheyt: die de nijd eerst plante in sijn borst. Soo wierd ook Potipher, een reeden-loose woederExod. 39.19. Op Joseph: die nochtans onschuldig was. soo dorst Sich Biliam, op een beest vergrammen: om niet goederNum. 22.25 Te schijnen, als die geen die slagen geeft voor voeder.

Soo klom de grimmigheyt van Eliab, (door 't belgen)1. Sam. 17.28. In 't nijdig hart, en hoofd: om Davids moedigheyt. Soo scheen des Harders roem, te groot, om in te swelgen1. Sam. 18.8. Voor Saul: 't geen hem heeft van 't spoor der reên geleyd, Om self sijn eygen Soon, en Schoon-soon te verdelgen. Wat in de wortel schuyld, schiet licht'lijk in de telgen.

Soo is, self David, van de billikheyt geweeken,1. Sam. 25.13. Wanneer hy, voor-nam, sich aan 't heele huys-gesin Van Nabal, (onbedocht) als Dwingeland, te Wreeken. Soo had gramschap van Herodis sijn begin: Om al die Kinderen te moorden; en te breekenMat. 2.16. Gods Beeld, in haar: dat noch on-mondig was te spreeken.

Soo wierd te Nazaret, de t'samening verbolgen, Op Christus, om sijn woord. so socht de Burgery t'Ephesen, Paulus, om de waarheyt, te vervolgen. Soo word de Toornigheyt veeltijds, een Raserny. Soo word de reeden, door een overvloed van golven, Gelijk als overstulpt, de billijkheyt bedolven.

Hier vraagd men, op dit stuk, is Tooren altijd sondig? Ik antwoord Neen, en stel 't bewijs volkomen vast.Eph. 4.26. Als ik, in mijn beroep, Gods wet, op-recht verkondig':Psal. 4.5. En yver, voor sijn eer: 'k voldoe mijn plicht, en last. Soo maakt d'onfeylb're-schrift, de gramschap Mosis bondig.Exod. 32.19. Num. 25.11. Psal. 106.31. En roemd, in Phineas, de Toornigheyt; volmondig.

Soo word een Dienaar-Gods, in heftigheyt, ontsteeken, Als hy, diens duurb're naam, van yemand last'ren hoord: En toond, in sijn gelaat, een klaar, en kundig Teeken, Dat hy sich (om de smaad God aan gedaan) Verstoord. Dis is in Christus, en d'Apostelen gebleeken: Wanneer haar wandeling, word by de Leer geleeken.

Haar gramschap, vloeyde uyt een onbevlekte yver, En drift, tot 's menschen heyl: en d'Alderhoogstens eer. Haar liefde, was daar van, een onversetbaar drijver: Die ging de schenders, van Gods heyl'ge naam, te keer. Die week geen teegen-stand: maar ging geduurig stijver, Psal. 106.32. En felder voort. dit bleek in Mosis d'oudste Schrijver.

Ioan. 13.35. 1. Ioan. 3.11 Gal. 5.22. Om dan mijn antwoord in een Sangmaat te besluyten, De ware Liefde, is altijd een ware Deugd. Een vrucht des Geestes: die haar dadigheyt sal uyten: Mits sy in 't weldoen, heeft een lust, vermaak, en vreugd. De Tooren, loop veeltijds, de reeden self te buyten: Exod. 4.26. Num. 25.1c.11.

Psal. 106.31. Doch, s'is altijd geen sond: maar doet de sondé stuyten.

O ongeschapen Liefd, die alles hebt geschapen: Ontsteekt in mijn gemoet, de Liefde, en haar vlam. Laat doch, haar oogeleen, noyt sluymeren, noch slapen. Ontrekt my, noyt de kool, daar sy haar gloed uyt nam. Dat ik my, aan geen min des weerelds, kom vergapen. Geeft (in d'anvechting) my 't Geloofd en Liefd' tot wapen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.