Gesang: op 't voorgaande.
Stem: O Heylig salig Bethlehem.
ALs Crates met een kloek gemoed, Doorsagh het menschelijke leeven, Soo smeet hy al sijn Vaders goed In zee, tot erfdeel hem gegeeven, En liet ons dit exempel na. 't Is best, dat ik u doe versinkken, En dat ik leedigh heenen ga, Dan ghy my namaals mocht verdrinkken. Dit is al mee niet wel gedaan, Wanneermen dogh sijn goet wil missen, 't VVas beeter dan de hand te slaan Aan d'arme, die na lijftocht vissen. VVant rijkdom hoort ons niet alleen, Die wy door Godes zeegen haalen, VVy hebben 't alles maar te leen, Om op sijn tijd weer te betaalen. Hoe weynig heeft een mensch van doen, Soo lang sijn plaats hier is beneeden, Hy moet hem altijd vlijtig spoen, Om haast ten grave in te treeden. VVaarom dus dan na 't gelt gewroet, Onwijs van 't eynde sijner dagen, Met krenking van sijn vlees en bloed, Ja ziel, sijn beste pand te wagen. 't Is sotheyt, wie hem selven sal Alweetend in een sloot versmooren, En sich door 't goet, sijn droeve val, Noch efter dikwils laat bekooren. Hy slach de Mugh, die sijn verderf, Door moeyte, willens, na gaat streeven, En op het eynd van sijn geswerf, Rooft hy, door brand, sijn eygen leeven. De Spin, die van sijn eygen werk, (Genegen tot het stadigh spinnen) Hem bout, op sijn manier, een Kerk, Door moeyte, konst, en lang versinnen. Soo denkt hy aan geen ramp, noch quaad, Na sijn verstant, maar wel geseeten, Doch als hy minst daar acht op slaat, VVord hy met web in 't vyer gesmeeten.
Dus is het met den mensch gestelt, Hy sal sijn krachten samen spannen, En graven naar 't vervloekte gelt, Om eer en deugd van hem te bannen. Maar als hy is op 't hoogst geset, En lang naroem en staat gekroopen, Soo dat geen buy nogh storm hem let, Als of hy was Gods hant ontloopen. Dan komt de dood onwrikbaar fel, Hem schielik uyt sijn zeetel trekken, En botst hem noeder in de Hel. Dit is der loon der rijke Vrekken. VVat nut gy Gierigaart van 't goud, Dat als een God gy vaak komt eeren? Dan dat gy 't hongerig beschoud, En staag u grijp-lust doet vermeeren, 't Is better dat gy met een list, Gods rijkdom stadigh weet te vatten, En yverig na de deugd omvist, Het best van al des weerelds schatten. Dan staat u hoop op God gevest, Die nimmer u en sal begeeven, Gy, vry en vrank van 't Zatans nest, Sult eeuwig in Gods rijkke leeven.
Fidem Spiro.
Cookies on Poetry Cove