Antwoord.
GOds onbegreepen magt, die nog beginsel heeft, Nog nimmer enden sal; hy is 't die 't schepsel geeft Een onuytspreek'lijk tal van gaaven in de leeden, En wat den Heemel schenkt, werkt door sijn selfs niet qwaats, Maar yeder gaaf vereyscht sijn regte tijd, en plaats, Derhalven moet den mensch, sijn gaaven wel besteeden.
De Tooren is een gaaf, zoo wel als Liefde is, Dog, d'een is waardiger dan d'ander. dit 's gewis, En zeekkerlijk; nochtans elk moet sijn ampt bestuuren, Men lijd in Toorn gevaar, jaa duyzend tegen een, Ook mag de Liefd niet zijn in allen, als gemeen. Dog: Liefde mag, en moet, in 't goede eeuwig duuren. Indien ons oog-merk strekt' ontrent de heete zugt Der Liefden, tot een Vrouw, wy zien wat nut, en vrugt,Gen. 6. Het eertijds heeft gebaard, aan Sets naa-komelingen,Gen. 34. Wy zien hoe Hemors Zoon, sijn Liefd' niet toomen kon,2. Sam. 11. Als mee de David, en den wijzen Solomon,1. Reg. 11. Wie dus ontijdig Lieft, zal namaals 't Treur-lied zingen.
Wy stellen dan ter zy de Liefde, die door 't bloed Ons rijd, en rild, en schiet; waar door ons swak gemoed Verrukt werd, en vervoerd, door yd'le lust der oogen: Maar: Liefde; die uyt gonst, en baat, en slof heyd rijst, Is gruw'lijk voor den Heer, zoo 't huys van Eli wijst.1. Sam. 2. en 4 Men word door blinde drift der Liefden, ligt bedroogen.
Dien Man; wierd toe betrouwd, het heylig wierook-vat, Ia hy, die jaar, op jaar; in 't alderheyligst tradt, En bad d'Almachtigheyd, voor d'algemeene zonden, Heeft soo verkeerd gelieft, ('t welk Godes eer benam) Dat hy sijn zelfs bederf, op hem te laaden dwam. Wee hem! die Liefde draagd, tot ooraak van sijn wonden.
Sijn Vaderlijke zugt (dogh: zonder vreeze Godts) Was oorzaak, dat sijn Zoons, hoogmoedig, fel en trots, De grootste gruw'len deên: ja roofden 't geen dat Goode Ten offer was gewijd, als had hy 't noyt gemerkt, 't Is zeeker dan, dat Liefd, altijd geen Deugden werkt, Waar d'oorzaak zelver spreekt, is geen bewijs van noode.
Wie 't schepsel liever heeft, dan hem, die 't selfde schiep, Verzinkt (eer dat hy 't weet) in 't gtondelooze diep Des Afgronds; midts sijn kiel als roerloos komt te drijven, Hy is gelijk als een die ty, en tijd vergaapt, Jaa als een on-wijs Man, die zorg'loos heenen slaapt, Maar wel den geenen, die voorzichtig weet te blijven.
Dat dan een Christen-ziel, voorzichtig onderscheyd Maak tusschen tijd, en tijd, zoo wel in toornigheyd, Als in het oeffenen van Liefde, want 't kan weezen, Dat Tooren Zonde baard, vol gruüw'len voor den Heer, Ook kan 't een yver zijn, tot voorstand van Gods eer, En deeze trouwigheyd, word zelfs by God gepreezen.
Num. 25. Was 't niet een werk des deugds, den toorn die Pineas Aan Simri heeft getoond, en Kasbi? want het was Om dat sijn vroom gemoed, nog mogt nog kon verdraagen Die zonde voor den Heer, sijn toorn heeft op die tijd, Het gantsche Israël voor het bederf bevrijd; Zoo kan dan toornigheyd, ook zijn naa Gods behaagen.
Exod. 32. Doen 't Heemel-hoog gebergt van Sinaï rond-om Met wolken was bedekt, en God voor 't Joodendom, Aan Moses 't Wet-boek gaf, door eygen hand geteekend, Zoo was 't dat Israël het toorn-vuur zoo ontstak, Dat deezen Yveraar, de taaff'len stukken brak, En waar is deeze daad, hem, ooyd tot zond gereekend.
Gall. 1.1. Het uytverkooren vat, den Geest-verlichten Man, Heeft mee in toornigheyt geyverd, als hy an 't Galaat is volk dus schreef: ghy harssen-looze menschen, Ghy dwaaz' en zinn'looz' volk, wie heeft u dus vervoerd? Ziet hoe een heylig Man, door yver Gods, ontroerd, Wie aldus toornig word, doed naa Gods wil, en wenschen.
Io. 2.2.14.15 Wanneer Gods tempel, tot een koop-huys was gemaakt, Zijn op die zelve tijd, daar binnen in geraakt, De Wisselaars, die Oss', en Schaap', en Duyv' verkogten, En Jezus (in sijn Toorn) verdreef'ze altezaam, Ja wierp de taff'len om, met all' hun gansche kraam, Ziet daar een Toorn, die rijsd uyt Liefd, en niet uyt togten.
Verleen ons dan (ô God) zoo Toorn ons overvald, Dat hart, en ziel, en zin, bemuurd, en sterk bewald, Mag blijven door u vreez'; op dat geen zinneloosheyd 't Gemoed van u vervreemd, maar geef dat yeder ziet, Eph. 4.26. En staag gedenk aan 't woord: vertoornd, en zondigd niet, Psal. 4.4. Wie zonder Zonde toornd, doedt voor den Heer geen boosheyd.
Cookies on Poetry Cove