Skip to content
1801

Vriendenzangen tot gezellige vreugd

Jan Walré

De tijd. Wijze: Bekränzt mit Laub den lieben vollen becher.

De Tijd snelt voort op vleugelen der winden, De levensloop is kort; (bis.) Dus plukken wij de Roos, waar wij die vinden, Eer haar de storm verdort. (bis.).

Keert zich ons oog naar lang voorleden dagem, Al wat bestondt verdween; (bis.) De schoonheid, pragt, en roem, die kon behagen, Vloodt, als de golven, heen. (bis.)

Of, willen we in de verre toekomst staaren, 't Geen ver is nadert ras; (bis.) Het trotsch gebouw, het werk van veele jaaren, Vergaat tot puin en asch. (bis.)

Vergeten wij de smart van het voorleden, Of die ons naken kan; (bis.) Die, ongestoord de vreugde smaakt van 't heden, Is een gelukkig man. (bis.)

Deze aarde is schoon; waartoe dan zo veel klagten, En vruchtelooze spijt; (bis.) Maar, laat ons ook met allen ernst betragten 't Genieten van den Tijd. (bis.)

Om goed te zijn, zij steeds ons edel pogen; Verkeerde drift gebluscht! (bis.) Den naasten steeds te helpen naar vermogen, Zij onze hoogste lust. (bis.)

Is 't uurglas dan in 't eind voor ons verloopen, Dit aardsche stuift als kaf; (bis.) Ook onze hulk moet hier de Tijd eens sloopen, Wij vinden rust in 't graf! (bis.)

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.