Skip to content
1801

Vriendenzangen tot gezellige vreugd

Jan Walré

Aan de zanggodinnen.

U, o schoone Zanggodinnen! Die de vreugd des leevens zijt, Die we aanbidden en beminnen, U zij ook een Lied gewijd. Gij, die zelfs de steile trappen Der verheven weetenschappen Mild bestrooit met roozenblaên, Neemt, terwijl de bekers schuimen, Bij de vlucht der norsche luimen, 't Danklied uwer vrienden aan.

Zouden we u geen Danklied wijden, Die, in jammer en in leed, Die, in ballingschap en lijden, Zelfs uw vrienden niet vergeet; Jaa, als zwakke vrinden vlieden, Blijft gij moedig bijstand bieden, Schoon de kerkergrendel kraakt. Gij, gij blijft uw' vriend verzeilen, Die zelfs, schoon hem ketens knellen, Loevestein ten Zangberg maakt.

Als de jeugd en wellust vluchten Met de wufte vriendenrij, Schuw voor 's Grijsaarts stille zuchten, Blijft Gij hem vertroostend bij; Doet door edele vermaaken Hem de laatste teug nog smaaken,

Die hij uit den beker drinkt Van 't bijna verbrijseld leeven; Gij, die traag hem zult begeeven, Als hij in den grafkuil zinkt.

Komt dan, lieve Gezellinnen! Komt hier, waar de blijdschap danst; Met uw hand, o Zanggodinnen! Hier de bekers zelfs bekranst. - Jaa, door uwe kragt gedreeven, Aan 't vermaak een' toon gegeeven, Die veredelt, die verrukt; Die, in deeze en alle kringen, Op de vreugd van stervelingen Zelfs een Godlijk zegel drukt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.