De vriendschap.
Die 't hart, vol van gevoel en trouw, aan dat zyns broeders
bind, Die vrolyk is als deeze juigcht; Hem troost als't
Sot hem neder buigt, Is een recht schapen vrind!
Is een recht - scha - pen vrind.
Geen eer of goud schenkt aan den mensch,
't Geen hem de Vriendschap geeft.
Mist hij haar schoone beeldtenis,
Geen, die op aard gelukkig is,
In welken stand hij leeft. (bis.)
Als, naa den onrustvollen dag,
De Zon de kim genaakt,
De scheem'rende avond rust belooft,
De ziel, door arbeid afgesloofd,
Naar een verpoozing haakt. (bis.)
Dan Vriendschap zijt gij wellekom
Aan 't hart, dat voor u slaat;
't Genoegen vergezelt uw treên,
Het is hier 't doelwit van elkeen,
En blinkt op elks gelaat. (bis.)
Vervrolijk steeds ons Levenspad,
Tot onze voet eens stuit;
Geef, bij het scheem'ren van 't gezigt,
En, als ons oog nog staart na 't licht,
Een vriendenhand, die 't sluit! (bis.)