De reiziger.
Air: Von Rechenmeister Amor.
Hoe menig Rijke heeft, met pracht,
Een reis door gansch Euroop' volbracht
En kreeg, van uur tot uure,
Een ander zes-span tot relais;
Sliep in zijn post-koets of zijn Chais,
Bij 't schoone der natuure!
Het eenig voorwerp van zijn lof
Zijn groote steden, prachtig Hof,
Landgoed'ren en Paleizen;
Voorts bleef, van d'aanvang tot aan 't end,
Hem 't gansche Landschap onbekend;
En dat heet ook al reizen!
Hij zag in al de groote steên
Slechts Automaten om zich heen
En Dames, mild in gratie;
Bij and'ren stond zijn geest niet stil;
Dus zag hij geen het minst verschil
Bij de eene of de and're Natie.
Van Bal's Spectakels weet hij wel;
Hij kent het Creps- en Faro-spel,
Daar kon hij in brilleeren;
Maar, wagende al zijn munt en kruis.
Kwam hij geruïneerd weêr t'huis;
En dat heet voyageeren!