De balsem des levens.
Air: Seit ich se viele Weiber sah &c.
Wanneer ons hart den reinen gloed
Der Liefde staat ten doel
En zij ons teder blaaken doet,
Verfijnt ze ook ons gevoel;
Haar toverkracht maakt ons verheugd;
't Is ons om 't hart zoo wél,
't Staat open voor de zachtste vreugd
En onze pols slaat snel:
Tik, tik, tik, tik.
En voegt 'er zich de vriendschap bij,
Bied die haar gul de hand;
Wat reinen wellust smaaken wij
Door dezen dubb'len band!
Door Liefde en Vriendschap zacht omsnoerd
Is 't leven aangenaam;
't Genoegen word ten top gevoerd
En hartlijk lagcht men zaam:
Ha, ha, ha, ha.
Waar Min zich zoo met Vriendschap paart,
Leeft Blijdschap ongestoord;
Dit Drie-tal, meer, dan schatten waard,
Brengt 's Levens Balsem voort;
Men kent geen druk; men juigcht, men zingt,
Bij boerterij en jok;
Men spot, men lagcht, men danst, men springt
En drinkt met smaak klok, klok!
Klok, klok, klok, klok.