Aan schoonheid deugd en vreugd.
't Is U, o drie Bevalligheden,
Vriendinnen van rechtschapen zeden,
Leidsvrouwen der beschaafde Jeugd!
't Is U, dat we onze Liedren wijden,
Die streelen, stichten of verblijden:
Ontvangt ze, o Schoonheid, Deugd en Vreugd!
o Schoonheid! Goddelijk verheven,
De Geest, door uw gevoel gedreeven,
Bespeurt een rein, een Hemelsch vuur;
Die gloed doet hem iets edels poogen;
Hij volgt, steeds met uw beeld voor oogen,
Den zagten omtrek der Natuur.
Wat hart, hoe koel, zou niet verwarmen,
Wanneer, in uw bekoorlijke armen,
o Schoonheid, aller eedlen lust!
De reine Deugd, nog onverbasterd,
Door dwaaze snoodheid slechts gelasterd,
Als uwe Tweeling-Zuster rust.
Wie voelt het hart niet sneller kloppen,
Wie kan een vrolijk lied verkroppen,
Als Gij, o Vreugde! ons tegendanst,
En, zo bevallig als de roozen,
Die op uw glansrijk aanschijn bloozen,
Uw Godlijk Zusterpaar bekranst.
Verheven Trits Bevalligheden!
Slaat de oogen minzaam na beneden;
Zijt met den wil, hoe zwak, voldaan;
Voor U was 't, dat deez' Liedren klonken....
Jaa! Deugd en Schoonheid zien wij lonken....
En Vreugde neemt ze lachende aan.
Omnibus hoc vitium est cantoribus, inter amicos
Ut nunquam inducant animum cantare, rogati.
Horath Satyra III. Lib. I.
Volgens de vertaaling van B. Huydecoper:
't Is een gemeen gebrek bij zangers onzer dagen,
Dat zij nooit zingen, als men 't hen vooraf wil vraagen.