In de vierde Vertooning
Verschijnt de Graafelijkheidt, omheint van de stemmende Steeden: Wijsheidt,
Wakkerheidt en Dapperheidt, daar zy de Vryheidt door verkreegen heeft, bekleeden
haar rechte; Merkuur, Neptunus, Neering, Rijkdom, en Barmhartigheidt, de slinke zy.
Den Heer van Paapekoop staat voor 't Outaar van de Trouw, en met zijn voet op de
borst van Meineedigheidt: hier wordt hem van de Graafelijkheidt het Drossaartschap
opgedraagen, en van drie gevleugelde kinderen het kussen, roede en rechtzwaardt
gegeven: Beleeftheidt en Dankbaarheidt, die hy altijdt by zich heeft, ziet men
eerbiedig buigen.
De Graaflijkheidt verschijnt in 't midden van haar leeden,
Waar dat zy Vlooswyk met het Drossaartschap ontmoet:
Men geeft hem 't Kussen, Roe, en 't Rechtzwaardt van drie steeden.
Wie oudt in 't raaden is en jong in oorlogsmoedt,
Behoort het hooftgezag t'ontfangen van de Staaten.
Een loffelijke keur behaagt all' onderzaaten.