De achtste Schildery
Is op 't strandt. De Koningin gaat met Apollo, Pallas, en Merkurius scheep: zy wordt
van de Koning en alle de Rijxraaden geleit. Zweeden, Gotlandt, Finlandt, en Laplandt
ziet men, om haar vertrek, treuren. De Bosch- en Berg- en Akkergooden en godinnen
volgen haar tot aan de zee. De Wijsel, Weezer, Oder, Beldt en al de stroomgooden en
godinnen, borlen van de grondt op, om het schip, daar Kristina in is, veiligh door de
baaren te
stieren. Eoolus drijft zijn stormwinden en buien, met keetens geboeit, in zijn yzere
rots. De Gemeente en Soldaaten wenschen haar behoude reis.
Kristina gaat naar 't strandt om overzee te vaaren.
De Koning, 't heir en 't volk geleiden haar aan boordt.
De Stroomgoôn borlen op en dobbren op de baaren.
Elk wenst dit groot vernuft t'ontfangen in zijn oordt.
Zoo zoekt de goude klaauw de diamant t'omvatten.
De schat der Wijsheidt schat men meer dan alle schatten.