In de tweede Zeegeboog Ziet men Kromwel op de troon van Karel Stuart; hy staat met zijn rechtevoet op drie gekroonde pilaaren; de kracht der drie koningrijken: hy scheurt de voorwaarden van 't wettig erfrecht der Koningen. De Staatzucht, die aan zijn rechte zy staat, heeft haar voet op de borst van de Godtsdienst, en de werreldtkloot, kroon en scepter, in haar arm. Aan zijn andre zy heeft hy 't Geweldt, die de schaal van Gerechtigheidt, die voor hem knielt, door 't zwaardt, dat hy haar ontweldigt heeft, aan stukken poogt te breeken. Engelandt, Schotlandt en Ierlandt worden door Dwingelandy geboeit. De troon is van Geveinstheidt, Moordadigheidt, Trouwloosheidt en Bedrogh omheint. De geest van Meester Pym, gevolgt van d'andre Koningmoorders, komt hier deur 't aartrijk heen breeken, om Kromwel onbekende schelmstukken (zoo 't moogelijk is dat 'er iet goddeloos by hem onbekent kan zijn) op nieuw in te scherpen. De Goude eeuw, die Neering, Rijkdom en Overvloedt by zich heeft, wordt door Tweedracht, een dochter van de Staatzucht, verjaagt. De Teems komt roodt van bloedt by Tetis verschuilen. Vrankrijk, Spanje, Italien en Neederlandt worden door d'enterbyl van de Rovery besprongen.
Brittanje wordt verkracht, tot schrik van alle Rijken. De Godtsdienst is gesplitst, en 't heilig Recht vertreên. De helsche Staatzucht is, in 't woeden, niet t'ontwijken. Waar Boosheidt toegang krijgt, vervalt de hoop der steên. De Roovery bespringt de zee aan alle deelen. Wie Godt noch mensch ontziet heeft lust in moordtkrakkeelen.
Cookies on Poetry Cove