Trooianen van de Grieken overvallen, de Stadt in 't verschiet in de
brandt, door F. G. geschildert.
Wat krijgsvolk ziet men hier elkaâr verwoedt aanranden?
't Zijn strijdtbre Grieken en Trooianen groots van hart.
'k Zie Trooien in 't verschiet door Sinons fakkel branden.
Wat langzaam wordt gebouwt raakt dra door vuur omvart.
Het schijnt dat Etna hier zijn ingewandt komt braaken.
Ik wordt door schrik voor 't vuur tot in mijn boezem koudt.
De schrik is machtigh om het bloet tot ys te maaken.
De vaandels dringen aan. elk toont zich eeven stout.
Hier slaat her Trooische volk: daar doet de Griek hen wijken.
Een onverwacht geweldt heeft overgroote kracht.
Het veldt wordt roodt van bloedt, en wit van versche lijken.
De moordt is gruwelijk. wie blijven wil, ik wacht
Ulysses loosheidt niet, noch Pyrrhus wreede deege.
Wie 's vyandts zwaardt ontvlucht heeft in zijn ramp noch Zeege.