Derde Vertooning.
De Drost, die van Gerechtigheidt, Voorzichtigheidt, Maatigheidt en Eendrachtigheidt
verzelt is, wordt van Muide, Naarde en Weezop naar 't Slot geleidt. Apollo, Pallas ,
Merkuur en de neege Muzen, die hier haar Parnas en Helikon hebben, begroeten hem
met maatgezangen. De watergoden en godinnen koomen uit haar zandige killen en
puimsteene kolken, vol vreugden, opborlen. Pan hippelt met de Satyrs langs d'oever
van de Vechtstroom. Bacchus laat zich, al zwelgende, op zijn wijnvat, van Menaden
voorttrekken. Ceres staat in 't midden; maar in
zulk een gestalte als op de bruiloft van Thetis. Diana schijnt vol weelde. de Dorpen
juichen.
Het Weesperkarspel juigt; het Gooy is uitgelaaten,
En Muide gaat ter feest; het schrander Helikon,
De landt en waxergoôn, met hun kristalle vaten,
Zijn vol van waare weeld; nu Bikker, Ja die Zon
Die dit gewest bestraalt, naa 't hooge Slot komt rijden;
Of is 't Augustus? neen: hy brengt Augustus tijden.