Toezang.
Myn Heirvoogt, die de Faam tot roemstof plag te strekken,
Begeert zijn lichaam niet beslooten voor de zon.
Die d'aardt, in Neederlandt, met leegers quam bedekken,
Behoeft ook met geen aardt, die hy door 't zwaardt verwon,
Voor 't licht bedekt te zijn. De deugdt wil aassem haalen.
Een dapper krijgsheldt lijdt geen afgesteeke paalen.