De drie Jongelingen in de gloeiende oven, door L.W. geschildert.
Hier wandelt men door vuur, en 't lijf blijft ongeschonden.
De stookers van de brandt verteeren door de brandt.
Tirannen worden meest door d'oppermacht verslonden.
De handt van Godt behoudt in alles d'overhandt.
De Boosheidt moet men door een yslijk voorbeeldt teugelen.
't Gekroonde hooft verschrikt en toont zich heel verbaast.
Godts engel keert de vlam door 't weien van zijn vleugelen;
En koelt de gloedt met dauw, die hy vol geurs uitblaast.
De vlammen woên vergeefs, om 't drietal te verslinnen:
Zy blaakren door een vuur dat Godt in 't hart ontsteekt.
Het hemelsvuur heeft kracht om 't aardtsche te verwinnen.
Zwijg oudt Arabiën, de Fenix die gy queekt,
Moet zich aan 't zonnevuur op 't nest ten offer geeven:
Hier branden Fenixen die door geen vuur vergaan;
Deez' teelen niet als d'uw door sterven: maar door leeven.
D'aanschouwers zweeren 't beeldt, hun afgodt, af te gaan.
Zoo ziet men 't doodt geloof voor 't leevendige wijken.
De kracht van Godt wordt best gekent door waare blijken.