Aan N. van M. toen hy de Trouw en Bedrogh schilderde.
Gy maakt Bedrogh te kleen; de Trouw te groot van leest.
Dit is niet zooze zijn; dus zijn zy eerst geweest:
Maar wilt gy deeze twee, gelijkze nu zijn, raaken?
Gy moet Bedrogh een reus, de Trouw een dwerghje maaken.