Christus geboorte van marmer.
Hier toont zich Betleëm met haar vervalle daaken.
Die 't al in zich omvat wordt van haar stal omvat.
Wie dat de zielzon zoekt moet deeze plaats genaaken:
De Wijzen wijzen ons, als hen de stat, het padt.
Geen grooter offerhandt dan wierook van gebeeden.
Wie dat voor Godt neêrvalt zal rijzen door zijn val.
Roemt groot Jeruzalem haar kerk vol heiligheeden?
Het kleene Betleëm zal door haar laage stal
Veel hooger steigeren, dan haar gewijde toppen;
Want uit haar schoot verryst de zon der zaaligheidt:
Die d'afgrondt vol van damp voor eeuwigh toe zal stoppen.
Zoo wordt de hel haar oest van zielen heel ontzeidt.
Dit steenebeeldtwerk weet het hart van steen te kneeden.
De kunst die 't hart beweegt is vol godtvruchtigheeden.