In de zeste Vertooning
Verschijnt de Faam en blaast de Staatsche waterzeege. aan
d'andere zyde ziet men de roubedden van Tromp en Gaalen,
daar hun waapens aan hangen. De Hopluiden van de zee, die hier by staan, zweeren op
de punten van hun geweer, dat zy't sneuvelen van hun opperhoofden zullen wreeken.
De Zeeraden staar versaagt. De vrye Landen zyn in 't zwart gekleedt: maar Mars en
Pallas geeven haar weeder moedt, Apollo en de neege Muzen deurmengen de
Zeegezangen van deeze twee Zeehelden met zuchten, weenen en droevige klachten.
De Staatsche Zeege klinkt in allerleie taalen:
Maar, och! de lauwren zyn bespat van heldenbloedt,
Hier leit de dappre Tromp, en daar de strydbre Gaalen,
De Landen staar vesaagt: maar Pallas geeft haar moedt:
Apoll de Dichtgodt, mengt zyn zeegezang met schreien.
De lauwren zietmen meelt met lykcipres doorbreien.