Goede Vrydag in 't Hofje.
De Zaaligmaaker weent om 't hemelspoor te baanen.
Hy beezigt, nu hy slechts twee oogen heeft om traanen
Te storten, 't heele lijf tot oogen: want hy zweet
Een bloedge pekelbron, om 't aardtrijk, door de beet
Van Eva, vol vergift, voor eeuwigh af te wassen.
De Hemel heeft geen wegh dan door de bloênde plassen.
Hy worstelt teegens 't vlees. ô deugdelijk gevecht!
Het Leeven bidt gena. de Reede roept om recht.
Hy kan de strijdt (o mensch!) niet winnen zonder bloeden.
De Moordt vertoont hem 't kruis; de Vinnigheidt de roeden;
De Smaadt het purperkleedt; 't Geweldt de doornekrans;
De Schrik de nagelen; de Raazerry de lans,
En d'Overdaadt de spons. het moordtuig doet hem saagen,
De zielzorg maakt hem stark om alles te verdraagen.
Zoo kruist hy zich in 't Hof eer 't Joodtsche volk hem kruist.
Hy dobbert op een zee, die langs d'Olijfberg bruist,
Van traanen, zweet en bloedt: maar d'inkomst van de haaven,
Die hy bezeilen zal, ontsluit zich by de graaven
Op 't wreedt Kalvaarien. ô langgewenste reis!
De liefde tot den mensch is starker dan het vleis.
De Noodt doet hem de kelk vol bitterheeden schinken,
Die hy (ô ziel!) op uw' gezontheidt leêg zal drinken.
Zoo redt hy 't ongeval van vaader Adams val.
Men koopt het hemelsch zoet voor alssem, roet en gal.