In de tweede Vertooning in 't Spel Vertoont zich de Pest op een waagen, die van een doodtkist gemaakt is. haar kleedt, vol roode en blaauwe vlakken, schijnt niet dan enkel vuur te zijn. uit haar pruik komt een flikkerende vlam. haar rechtehandt is met een schitterende blixem, de slinke met een zeissen gewapent. zy wordt van twee toomelooze en gloeiende draaken, die vonken spuwen, voortgetrokken. de Moordt staat achter op. de Tijdt, die zy verby rendt, ziet haar achter na. d'Armoedt en Rijkdoom, worden hier (want de Pest verschoont niemandt) overreeden. Esculapius, Hippokrates en Galenus, gaan naast de waagen; maar geblinddoekt en de handen met keetens aan de raaden gebonden. Hier ziet men de lijkdraagers, door honger en ziekte krachteloos, met de lijken ter aarde storten. Aan d'andere zy verschijnt de Tweedracht; zy heeft een hooren in haar rechte en een fakkel in haar slinkehand. haar waagen wordt door Honger en Ongeduldt voortgetrokken. Stoutheidt heeft de toomen. Ongerustheidt staat achter op: zy is van verscheide hoopelooze burgers omringt. Leiden, die van Standtvastigheidt en Neering verzelt is, roept de Hemel tot hulp: Jupiter, omheint van Gooden en Godinnen, belast Herkules en d'Overvloedt, dat zy haar bystandt zullen doen.
De Tweedracht komt het volk, om haar broodt, op 't Raadthuis schenden, Een holle buik is stout en gruwlijk in 't bestaan. De Burgervaader weet dit onheil af te wenden. De heet' en veege Pest komt Arm en Rijk verslaan.
De Hemel opent zich en schijnt tot hulp geneegen. Wie traanen met gebeên deurmengelt, hoopt op zeegen.
Achter deeze Vertooning, verschijnen vijf verschieten; in 't geen zich aan de rechte zy vertoont, staat de Tempel van d'Eendracht: hier offeren de Burgermeesteren op 't outaar, daar 't pronkbeeldt op staat, een bondel pijlen. Het geen zich aan de slinke zy laat zien, is een oopen lucht; hier staat het outaar en beeldt van de Vryheidt: den Heer van Noordtwijk en d'andere krijgshoofden, zweeren de Vryheidt te verdeedigen, of het leeven te verliezen. In 't middelste, verschijnen Herkules en Overvloedt in een daalende wolk, om Leiden t'omhelzen. In 't eerste van de twee kleene verschieten, is vander Werf, die Mars en Merkuur by zich heeft, en biedt het volk, dat van honger raast, zijn eigen vlees om hun honger te verzaaden, als hy de Stadt hier door voor de Staat weet te behouden. In het tweede koomen de Rijn, Pomona, en Pan by Apollo, om bystandt teegens het woeden van de Pest.
Hier komt men d'Eendracht haar behoorlijk offer brengen. D'eendrachtigheidt der Steên verduurt het oorlogsveldt. De Krijgsraadt zweert, om vry te zijn, haar bloedt te plengen. Een ingebooren volk gedoogt geen vreemt geweldt. Alcid' en d'Overvloedt zijn hier om heil te baaren, De Steeden zijn door kracht en voedtsel te bewaaren.
Cookies on Poetry Cove