Gevecht tussen Trooianen en Grieken, door F.G. geschildert.
Hier zijn de Grieken en Trooianen aan elkander.
De stroom verandert, door de groote moordt, in bloedt.
Deez' strijdt als Herkules; die stormt als Alexander.
De hoop van oorlogsroem geeft laffe harten moedt.
Het krijgsvolk ziet men in het koude water blaaken.
Deez' wykt de scherpe schicht van een gespanne boog,
En komt de doodtschicht op de boog des brugs genaaken.
Die krygt, uit zucht tot wraak, zijn vyandts borst in 't oog,
En weet zijn zwaardt hier door in 's vyandts borst te krijgen.
De Doodt wordt door 't bestaan der stouten uitgetart.
Pentezilea vecht tot voorstant van de Frygen:
Zy heeft een enkle borst en toont een dubbel hart.
Hier is gevaar: ik wyk daar 't lijf zich durft vertrouwen.
Wie dat geen krijgs-eedt zweerdt behoeft geen stant te houwen.