755. Aan G. V. F. &c.
Gy weet gelegentheidt voor my, zegt gy, tot trouwen. Ik dank u voor uw zorg; mijn liefd' is veel te vart: Want ik bemin, o vrindt! de schoonst' en wijst' der vrouwen. Door glans en schranderheidt ontsteekt men 't koutste hart. Haar oogen schitteren als duizent zonneschijnen. Zy pronkt op haar perruik met nimmerdorrendt groen. Haar gaaven zijn bekent hy Grieken en Latijnen. Elk leit haar laagen om zijn wil met haar te doen. Het Raadthuis luistert zelf na haar geleerde lessen. De wijsheidt is een zon die alle kunst verdooft. Zy gaat tot in 't vertrek der Prinsen en Prinsessen. De Godtsdienst eert haar staâgh met haar ondekte hooft. Wanneer zy haar laat zien bekoort haar glans all' oogen. Het graauw, dat staadigh mort, als d'overheidt iet zegt, Leent d'ooren aan haar stem, schoonz' haar niet komt vertogen. Zoo werdt de woestheidt, door mijn lief, aan bandt gelegt. Wie elk de borst deurwondt is vol aanminnigheeden. Ik smeek haar dag en nacht, zy lacht en lonkt my aan: Maar spreek ik eens met haar van voort in d'echt te treeden, Dan treedt zy van my af en laat my hooploos staan. Een hooploos minnaar lijdt de doodelijkste pijnen. Ik zal nochtans, ik zweer 't, volharden in mijn min. Vraagt gy wie dat het is die my van smart doet quynen? Het is de Dichtkunst, o de Dichtkunst! rijk van zin: Dies stel geen ander voor; ik wissel niet in 't minnen. De Dichtkunst is de waardtst' der neege Zanggodinnen.
Cookies on Poetry Cove