338. Aan D.V.E.N.
Hy heeft heel stout geweest, die eerst in zee dorst gaan.
Noch stouter die op zee zijn vyandt niet durft slaan;
Want zulk een durft zijn eedt, in spijt der galg, verpletten:
Noch stouter die 't niet straft: want deez' breekt eedt en wetten.