562. Aan zeeker Engelsman, die zijn kindt met het goude beeldt van Cromwel
versierde.
Gy scheldt, om dat mijn kindt dit hemels kruisbeeldt draagt.
Het uwe draagt het beeldt van die de Britten plaagt.
Dit goot zijn bloedt, tot heil der menschen, uit zijn' aadren.
Het uwe zuipt het bloedt der trouwste burgervaadren.
Het kruisbeeldt past, zegt gy, in 't binnenst' van de borst.
't Is waar: maar 't uwe hoort, zoo ik het zeggen dorst,
Voor Withal opgeknoopt, tot schrik van 't godtloos Londen.
Wie koningmoordt niet straft wordt zelf vol schuldt bevonden.